Gouden Eeuw Rivier

Hollandsche IJssel

Beleef de Gouden Eeuw Rivier

Oudewater

Contra-remonstrantisme wordt staatsgodsdienst

De Oudewaternaar Jacob Hermansz (Jacobus Arminius), ontsnapte aan de Oudewaterse Moord omdat hij voor studie elders was. De student die zijn familie daardoor verloor, genoot protectie van de eveneens uit Oudewater afkomstige geleerde Ruud Snel van Royen (Rudolph Snellius).

Hermansz werd de grondlegger van de Remonstrantse Kerk en lag over zijn religieuze opvattingen in de clinch met de door prins Maurits gesteunde Gentse predikant Frans Gomaer (Gomarus).

Dit liep bijna uit op een burgeroorlog. De Synode van Dordrecht boog zich erover en koos na jaren beraad in 1619 voor de visie van Gomarus.

Hermans, die geloofde in predestinatie, had tien jaar eerder het loodje gelegd in de heilige overtuiging dat God persoonlijk op dat moment een eind aan zijn leven op aarde had gemaakt.


IJsselstein

Baronie bleef zelfstandig onder Oranjes

IJsselstein was een autonoom staatje tussen Utrecht en Holland. Het belandde in familie van de Oranjes door het huwelijk van Willem de Zwijger met Anna van Egmond, die barones was van IJsselstein en de gravin van Buren.

Hun nazaten droegen wel de titel Baron van IJsselstein, maar keken in de praktijk weinig naar hun erfgoed om.

Toen de Fransen zich in het Rampjaar 1672 terugtrokken, werd het kasteel van IJsselstein opgeblazen. Alleen de Loyertoren bleef staan om als decor te dienen voor het prachtige Kasteelpark dat in 2018 werd geopend met heuse riddergevechten.

De Gouden Eeuw en de Hollandsche IJssel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en daarom is het gebied met twintig musea/oudheidkamers, veel erfgoed en karakteristieke producten van toen en nu een bezoek waard. Het is Holland in een notendop, het enige dat mist is Amsterdam en tulpenvelden.

Qua infrastructuur, polderwerken, windmolens, erfgoed, grachtenstadjes, ambachten en industrie is er langs de Hollandsche IJssel nog veel over de Gouden Eeuw te ontdekken.

Tijdens uw bezoek kunt overal heerlijk overnachten, ontspannen op een terras en genieten van een wandel-, fiets- of vaartocht in een middeleeuws stadje of in de prachtige parken en poldernatuur. En zoekt u ’s avonds vertier? Dat is er volop: restaurantjes, theaters, bioscopen, bars en kroegjes. 

Het eind van de Spaanse overheersing luidde voor de Nederlanden de tijd in van de Gouden Eeuw die samenviel met de Tachtigjarige Oorlog. De Gouden Eeuw begint bij de Hollandsche IJssel daarom met de onderwaterzetting van land door de Oranjegezinde troepen om Leiden met platbodems te kunnen ontzetten en eindigt opnieuw met een inundatie, nu van de Oude Hollandse Waterlinie. Deze keer om de Franse troepen van Lodewijk XIV te dwarsbomen in het Rampjaar 1672. Dit jaar wordt beschouwd als het eind van de bloeiperiode van de Nederlanden.

De stadjes langs de rivier, die konden opbloeien omdat het in relatief rustig bleef, profiteerden van hun ligging en ontwikkelden specialiteiten: touw in Moordrecht en Oudewater, knopen in Montfoort, lakens, pijpen en plateel in Gouda.

Ouderkerkers kozen voor de walvisvaart. In nagenoeg alle plaatsen langs de IJssel waren grote en kleine scheepstimmerwerven voor de binnenvaart, roeiboten of pramen.

Wind- en watermolens verlichtten het zware werk. Ze werden ondermeer gebruikt om te graan te malen, olie te persen, papier te maken, hout te zagen, te vollen en natuurlijke om de polders droog te houden die door inklinking onder rivierniveau zakten.

De Hollandsche IJssel regio liftte mee met de groei van de scheepvaart. We kregen de opkomst van de walvisvangst en groei van de lucratieve haringvisserij, wijn- en specerijenhandel.

De economie kon zich snel ontwikkelen door de achterliggende infrastructuur. Goederen en passagiers verplaatsten zich gestaag via een efficiënt werkend distributiesysteem met beurtveren en strekschuitdiensten over open water, door sluisjes, kanalen. Twee keer zo snel, maar drie keer zo duur personenvervoer ging met de postkoets over nieuwe, met klinkers bestrate, wegen. Die heette geen postkoets zo omdat ze post vervoerde, maar omdat ze tussen posthalte reden, de herbergen, waar verse paarden klaar stonden om te worden ingespannen.

 

Gouda

Einde van hoogconjunctuur bier en turf

Gouda was in de Bourgondische tijd al een belangrijk verkeersknooppunt. Bier en turf waren de economische peilers in de handel tot de scheiding met Vlaanderen een feit was. Voor de Gouwenaren die in die sectoren handelden en werkten, begon de Gouden Eeuw dus ongunstig. Van de maar liefst tweehonderd bierbrouwerijen overleefden slechte enkele deze crash. Ook de turfhandel kelderde in omzet, want de helft van deze brandstof die uit de achterliggende polders werd gestoken, werd tot dat moment samen met de biervaten naar Antwerpen verscheept. Omgekeerd kwamen er wel Vlamingen die om religieuze of financiële redenen uit waren geweken en een nieuwe impuls gaven aan andere ambachten. Boekdrukkerijen en weverijen gingen floreren.

Trekvaart en beurtveren

Trekvaartschepen en beurtveren voeren volgens dienstregelingen via speciaal aangelegde kanalen met jaagpaden. Ook vrachtverkeer ging over water. Dit bracht veel handel en rijkdom langs de hele Hollandsche IJssel. De Goudse Haven, die als schutkolk diende van de sluis tussen de IJssel en de Gouwe, was de bottleneck. De stad lag als een spin in het web tussen Dordrecht, Rotterdam, Amsterdam (via Leiden en Haarlem) en Utrecht. Langs de Haven floreerden zeilmakerijen, winkels, kroegen en hoeren.

De Staat legde de stad al snel de bouw op van de Mallegatsluis, zodat oorlogsbodems en grotere schepen deze klantenfuik konden omzeilen. In de steden zelf waren grachten de verkeersaders, de watervoorziening en de rioolafvoer.

Scheepstimmerwerven, touwslagerijen, weverijen en houtzagerijen deden het goed. Rijkdommen werden niet alleen gebruikt om panden van steen op te trekken en straatwegen aan te leggen voor de snelle postkoetsverbindingen die kwamen, zoals over de langste straatweg via de ’s-Gravenweg tussen Gouda en Rotterdam, maar ook om kunstenaars aan werk te zetten die sjieke gevels maakten, grote gebrandschilderde ramen en mooie schilderijen, vooral familieportretten en volktaferelen.

 

Getijdedeel van de rivier

Veertig fabrieken voor ijsselsteentjes

Wereldwijd vinden we wat hier in de Gouden Eeuw werd geproduceerd: de ijsselsteen die door de koopvaardij als ballast werd meegenomen. Ze werden niet alleen gebruikt in bouwwerken van de voormalige handelsposten van de Verenigde Oostindische Compagnie en de West Indische Compagnie, maar ook voor waterputten en bijvoorbeeld waterdichte indigobakken, zoals op Curaçao.

Steenfabrieken langs de IJssel floreerden en domineerden de baksteenindustrie in de Lage Landen. In de buurtschappen langs de benedenloop brandden honderd veldsteenovens waar de bekende gele ijsselsteen werd gebakken voor herenboerderijen en om de panden in de steden te verstenen teneinde grote branden te voorkomen.

De arbeiders woonden bij de fabrieken langs de rivier en leden een geïsoleerd bestaan. Hele gezinnen, van kleine kinderen en zwagere vrouwen tot bejaarden zwoegden voor de fabrikanten die er steenrijk van werden. De buurtschappen langs de dijken zijn erdoor ontstaan.

De veldsteenovens op de twaalf steenplaatsen van Haastrecht trof in het Rampjaar hetzelfde lot als de kastelen in IJsselstein en Montfoort, ze werden opgeblazen. Het was de doodsteek voor de Haastrechtse steenindustrie.

Lijnbanen in Moordrecht en Oudewater

Het achterland leverde hennep op voor: touw voor de tuien, schoten, trossen en wanden van de handelsvloten en voor netten voor de haringvloot, ook werd er garen gesponnen voor lakens en zeildoeken. Hennepstro werd, nadat de olie eruit was geperst, verkocht aan Zaanse rolreders die het in beukmolens of hennepkloppers vervezelden en in hekelaars kamden om het van ongerechtigheden te ontdoen. Daarna ging het naar een ziedhuis om het te koken en te vermengen met potas. Dit leverde de soepele witte vezels op die werden gesponnen en geweven tot canvasdoek. Dit zeildoek werd gebruikt op schepen en molens en kon wel een halve centimeter dik zijn.

Een VOC-schip had wel 50 tot 100 ton touw en zeil aan boord allemaal afkomstig van de hennepteelt. De hennepolie werd gebruikt om zeil en touw waterafstotend te maken. Hennepvezels werden ook gebruikt om papier van te maken. In Waddinxveen werd aan de Zuidkade zaagmolen De Schoone Haas omgebouwd tot papiermolen.

De veeteelt leverde op zuivelproducten, zoals de befaamde Goudse kaas die door de boeren met schuiten werd aangevoerd en op de Goudse markt werd verhandeld.

 

Inundaties Oude Hollandse Waterlinie betekende eind van hennepteelt

Het Rampjaar 1672 wordt gezien als het einde van de Gouden Eeuw. Nederland hield stand dankzij de Oude Hollandse Waterlinie die verder oprukken van de troepen van Lodewijk XIV voorkwam.

Hennep groeit alleen op goed bemeste grond. Doordat het land onder water werd gezet losten de fosfaten op en toen de polders weer droog werden bleken de fosfaten opgelost en de grond te arm om direct weer hennep op te kweken. Veel boeren begonnen er niet opnieuw aan, waardoor de touwfabrieken in Oudewater gedwongen werden dure hennep te importeren uit landen rond de Oostzee.

Spoor van vernielingen

Toen de Fransen letterlijk nattigheid voelden gaven ze het op, maar niet zonder een spoor van vernielingen achter te laten: het kasteel van IJsselstein werd opgeblazen, net als dat van Montfoort. In Oudewaterse kern werd veel vernield.

De veldsteenovens op de twaalf steenplaatsen van Haastrecht trof hetzelfde lot als de kastelen. Dit was de doodsteek voor de Haastrechtse steenindustrie.

Een jaar later kwamen de Franse troepen echter terug en werd de bevolking verplicht onderdak te verschaffen aan Franse soldaten. Vooral het zelfstandige staatje IJsselstein had het zwaar te verduren met het onderhoud van de vele troepen.

Opkomst van Rotterdam

Rotterdam was voor connecties met het achterland afhankelijk van de IJssel. De stad groeide snel. Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt zette al in 1594 zijn handtekening voor een forse uitbreiding tot aan kreek de Leuve waar in 1608 de Nieuwehaven klaar kwam.

Zestig jaar later koopt de stad Kralingen voor verdere uitbreidingen. 


Capelle en Nieuwerkerk aan den IJssel

Dijken lek voor Leidens ontzet

De Gouden Eeuw begon kort na het Leidens Ontzet, mogelijk gemaakt door de het land onder water te zetten vanaf Schieland tot Leiden. De Schielandse Hooge Zeedijk langs de IJssel, die nu Groenen- en Goenedijk heet werd op zestien plekken doorgestoken onder toeziend oog van Willem van Oranje. Een monument in Capelle markeert een van die plekken.

Capelle aan den IJssel

Ambachtsheer Hans van der Veeken 

De schatkistbewaarder van Van Oldenbarneveld was Hans van der Veeken, een katholieke koopman uit Antwerpen, rijk geworden van haringhandel. Hij was mede-compagnon van de Rotterdamse of Maghellaanse Expeditie waarvan een schip van de vijf die uit Goeree vertrokken via Kaap Hoorn Japan bereikte. Dit legde de basis voor het alleenrecht van de VOC op de handel met Oost-Azië.

Van der Veeken werd na oprichting van de VOC bevelhebber van de Rotterdamse tak. Hij werd de rijkste man van de stad en ambachtsheer van Capelle en Nieuwerkerk. Het Slot Capelle liet hij bouwen op de plek waar eerder het kasteel van Jacoba van Beieren stond. 


De omroepen VPRO en NTR hebben in 2012 een schitterend overzicht

De Gouden Eeuw

gemaakt dat 1585 tot en per jaar 1688 belicht. Niet alleen in woorden, maar ook in 13 documentaires, die zijn uitgezonden in 2012 en 2013.

Lees meer »