1578-1672

Rembrandt dumpte zijn ex Geertje Dircx in Goudse tuchthuis

Vrouwentuchthuis aan de Groeneweg in Gouda | Foto: Stichting Archief Midden-Holland

Schetsje van Rembrandt uit de tijd dat Geertje bij hem woonde. Zou dit zijn zoon Titus zijn die naar een slapende Geertje kijkt? Het lijkt er wel op, want zijn moeder zag er anders uit.

De kop van dit artikel zou de voorpagina van Telegraaf hebben gehaald als die halverwege de Gouden Eeuw had bestaan. In dit geval is deze kop wel waar. Zeker is dat deze verkwikkelijke zaak de beroemdste meesterschilder van de Gouden Eeuw zo van slag bracht, dat hij lange tijd niets heeft geschilderd en hij zelfs betaalde om haar in het Goudse tuchthuis krijgen. Wat was er gebeurd, waardoor schrijfster Simone van der Vlugt haar laatste historische roman met de titel ‚Schilderslief’ aan deze Geertje Dircx wijdde die hier vijf jaar lang werd ingesloten? Wat werd Geertje door wie ten laste gelegd? En over welk en wat voor tuchthuis praten we dan? Dit zijn de vragen waarop we een antwoord geven in het jaar, waarin Rembrandt van Rijn en de Gouden Eeuw het landelijk thema is waarmee Nederland internationaal koketteert.

Wat was er gebeurd, dat schrijfster Simone van der Vlugt haar laatste historische roman met de titel ‚Schilderslief’ aan deze Geertje Dircx wijdde die vijf jaar lang in het Goudse tuchthuis werd opgesloten?

Op deze pagina lees je hoe er in het tuchthuis aan toe ging, toen deze gewone, maar vastberaden vrouw uit Amsterdam in deze instelling belandde. Een vrouw die signeerde met een hakenkruisje en met Rembrandt van Rijn oud had willen worden. Zijn afwijzing werd haar ondergang.

De wat volkse en ongeletterde Geertje Dircx belandde in 1641 in het huis van het echtpaar Van Rijn in de Breestraat in hartje Amsterdam, dat nu Museum Het Rembrandtshuis is in de Jodenbreestraat. Voor zover we weten had Geertje van kinds af in het Moriaanshoofd in Hoorn gewoond en gewerkt en was ze kort getrouwd geweest met scheepstrompetter Abraham Claeszn, die rond 1635 overleed. Ze trok bij haar broer Pieter in, eveneens zeeman, nadat ze als kindermeisje bij de familie Beets in Hoorn had gewerkt. De Edamse was ‘klein van stuk maar welgemaakt van wezen en poezel van lichaam’, volgens Rembrandts collega Arnold Houbraken. Rembrandts vrouw Saskia Uylenburg nam Geertje aan als huishoudster en droge min (kinderverzorgster) voor hun baby Titus.

Na de dood van Saskia in 1646, bleef Geertje voor het huishouden en van kleuter Titus zorgen, die de erfgenaam was geworden zijn moeder. Rembrandt was namelijk met de rijke dochter van de burgemeester van Leeuwarden getrouwd op voorwaarde dat hij niets van de bezittingen van zijn rijke vrouw mocht erven. Hij had wel het vruchtgebruik van haar bruidsschat tot Titus volwassen was.

Samenwonen

Geertje en Rembrandt zochten troost bij elkaar. Volgens de verhalen gedroeg het koppel zich drie jaar lang als gehuwden. Geertje, voelde zich de vrouw des huizes, droeg de juwelen van Saskia en had een zekere toekomst als schildersvrouw in het verschiet. In haar testament liet ze in 1648 opmaken dat Titus haar enige erfgenaam was.

Een jaar later stapte ze echter op, toen Rembrandt aan de scharrel ging met de jonge, vrolijke huishoudster Hendrickje Stoffels, net twintig, uit de Achterhoek, die ze nota bene zelf had aangenomen.

Van Rembrandts aanbod van eenmalig 160 gulden en 60 gulden per jaar, mits ze haar testament waar het Titus nalatenschap betrof, niet zou wijzigen wilde Geertje niets weten. De juwelen van Saskia die ze droeg, bracht ze naar de lommerd om handgeld te hebben. Ze meende wellicht daar recht op te hebben, omdat ze in de jaren dat ze samen waren niet betaald was als huishoudster en kindermeid.

Toen Rembrandt dat vernam, bood hij haar 200 gulden en zodat ze de beleende juwelen terug kon kopen en verhoogde zijn alimentatie­bod tot 160 gulden per jaar, wat ze eveneens boos weigerde in bijzijn van een notaris en getuigen.

Ze legde de verbroken huwelijksbeloften voor bij de Commissie voor Huwelijkse Zaken en eiste dat Rembrandt met haar zou trouwen of haar onderhouden. Hij had haar immers ‘beslapen’ en haar een ring gegeven. Het oordeel was dat Rembrandt haar 200 gulden per jaar moest betalen en dat ze de juwelen van Saskia mocht houden, mits Titus haar enige erfgenaam bleef. Geertje hield zich hier niet aan en verpandde de juwelen van Titus opnieuw.

Haar buren legden een jaar later, op verzoek van haar voogden (haar broer Pieter en haar neef die op Rembrandts hand waren), een getuigenis af waarbij ze vertelden wat zich afspeelde in het huis waar ze was ingetrokken. De Vroedschap veroordeelde haar daarna met twaalf jaar opsluiting. Rembrandt moet achter de aanklacht hebben gezeten. Hij betaalde uit eigen zak de 140 gulden om haar naar het verre Goudse tuchthuis te laten brengen en kon weer ademhalen. De hele affaire had hem zo aangegrepen dat hij dat hele jaar geen streek op het doek had kunnen zetten.

In het Goudse gesticht werd Geertje zwaar ziek. Haar vriendin Trijntje Jacobs kreeg het mogelijk daarom vijf jaar later voor elkaar, dat ze vervroegd werd vrijgelaten. Geertje was echter nog niet gebroken, ontnam haar broer Pieter voogdijschap en stapte naar de rechter voor financiële genoegdoening.

Ze kwam daar echter te laat mee, want Rembrandt, die bij gebrek aan grote opdrachten alleen etsen en tekeningen maakte, kreeg te weinig opdrachten en was failliet gegaan. Hij woonde inmiddels bij Titus en Hendrickje die voor eigen rekening zijn werk aan de man brachten.

Kort daarop overleed Geertje in Edam. Ze ging daarna de geschiedenis in als het krankzinnig kindermeisje van Rembrandt. De glorieuze meester van de Nederlandse schilderkunst mocht natuurlijk niet in een kwaad daglicht worden gesteld.

Pas in de vrouwenemancipatie-jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er stukken boven water, waaruit bleek dat er meer achter stak. Maar klopt die feministischer interpretatie wel?

Rembrandt schilderde met rake streken immers al zijn dierbaren. Opmerkelijk is dat Geertje nergens op voorkomt en dat Rembrandt zo van slag was door haar reactie. Zou hun verhouding toch alleen in Geertjes hoofd serieus geweest zijn?

Of had ze wél gelijk en heeft Rembrandt al het werk waar ze op stond vernietigd?

Het tuchthuis

Waar nu het schoolplein van de Casimirschool ligt aan de Groeneweg, stond een van de belangrijkste vrouwenkloosters van de stad: het grote Catarijnenklooster. Na de omwenteling in 1572, in het begin van de Gouden Eeuw, kwamen kloosters leeg te staan en kregen een andere functie. Wandtapijtwevers of lissiers, waar we eerder aandacht aan besteedden, die het Vlaamse Oudenaarde waren ontvlucht voor de Spaanse heersers, namen het Catarijnenklooster in gebruik. Bijgebouwen van het klooster konden een anderen functie krijgen.

Zoals de paterswoning. Die kwam in 1610 in beeld om te fungeren als vrouwengevangenis om daar ‘dames die niet wilden deugen, voor een tijd vast te zetten’. De toenmalige huurder werd de wacht aangezegd en Claas Cornelisz werd als cipier van het tuchthuis aangesteld. Waar eerder een klooster een oplossing kon bieden voor vrouwen met problemen, moest nu de overheid iets doen met dames die zich niet volgens de maatschappelijk correcte norm gedroegen. Het ging te ver om ze op water en brood zetten, daarom stelden steden hen te werk in gesloten inrichtingen, waar tucht werd bijgebracht en waar ze taal- en godsdienstles kregen.

De Goudse regenten die zich op het project stortten, gingen niet over een nacht ijs. Ze brachten eerst een werkbezoek aan Amsterdam, om te zien hoe ze het daar hadden aangepakt. Na burgemeestersberaad – Gouda had meerdere burgervaders – werd niet de populaire benaming spinhuis op het gevang geplakt, maar tuchthuis, de werkzaamheden die ze voor de dames voor ogen hadden, bestonden uit meer dan alleen spinnen; de lakenindustrie in Gouda kon wel handen gebruiken. Aan de lijst met bergen spullen die werden besteld, kun je zien dat de verbouwing en inrichting grondig werd aangepakt.

Niet alleen door een veroordeling belandden vrouwen in de instelling. Veel van hen werden tegen betaling achter slot en grendel gezet op verzoek van voogden en verwanten, omdat zij niet met hun gedrag overweg konden. Deze, meestal jonge dwarse of losbandige vrouwen, kregen een mildere behandeling dan de delinquenten. Ze mochten hun eigen spulletjes meenemen, zelfs een bed en kregen lichtere taken bij de dwangarbeid die hen te wachten stond, om het intituut te financieren.

Een tuchthuis werd, net als een klooster, gezien als een charitatief initiatief, waarvoor het bestuur donaties ontving. Voor de instandhouding en grote investeringen werden loterijen georganiseerd en de toen zo populaire rederijkersspelen georganiseerd. De lokale schoolmeester gaf de dames godsdienst- en taalonderwijs, want veel van hen waren niet- of laaggeletterd.

Cipier Pieter Andriesz volgde Claas Cornelisz als ‚binnenvader’ op; hij kreeg hulp van ‚binnenmoeder’ Sanne Joppen. De boodschap dat vrouwen die buiten de lijntjes kleurden, hier konden worden gedropt, deed snel de ronde. Al tijdens de verbouwing arriveerden de eerste ‚klanten’ en die kregen tijdelijk onderdak bij de cipier.

De toeloop was zelfs zo groot, dat maar een jaar later uitbreiding nodig was. Dat gebeurde door de drie woningen ernaast aan te schaffen, zodat het tuchthuis kon worden uitgebouwd.

Dat de geïnterneerden niet konden kerken, was twee regenten in 1636 een doorn in het oog. De kerkenraad stuurde daarom een hervormde zieken­trooster, die theologie studeerde, om er zo nu en dan te preken naar de leer van de Nederlands Hervormde kerk.

De vrouwen moest vlas kammen en kaarden, spinnen, weven en lakens spoelen voor de de lakenindustrie. Ze sliepen in hangmatten, omdat bedden teveel ruimte innamen. Het was er vies en het stonk. Lampen mocht niet aan vanwege brandgevaar.

De mannnelijke bewakers hadden toegang tot alle ruimtes, dus privacy was dus ver te zoeken. In dit tuchthuis belandde in 1650 de ex van Rembrandt, Geertje Dircx.