1578-1672

Weeskinderen moesten weven in Aalmoezeniersweeshuis

Als negentienjarige jongen schilderde Jan Ariens Duif in 1636 de regenten van het weeshuis. Hij schilderde zichzelf op onderstaand schilderij rechtsachter af als weesjongen naast de weesvader. Kijk ook eens naar het schilderij hieronder van de regenten die Jan Franse Verzijl acht jaar later schilderde.

Op het schilderij van Jan Franse Verzijl (1602-1647) uit 1644 van de regenten van het weeshuis liggen op de tafel de ontwerpen van het poortgebouw en de nieuwe vleugel. De schilder portretteerde zichzelf linksachter de voorzitter, zijn zwager Gerrit Jansz ‘t Hart, die op bovenstaand schilderij rechts zit.

De classicistische toegangspoort aan de Spieringstraat in Gouda is achter de Sint-Janskerk Bovenaan zijn twee weeskinderen afgebeeld met het wapen van de stad Gouda. De foto is gemaakt toen de Openbare Biliotheek er nog gevestigd was. Het complex wordt nu omgebouwd tot hotel met appartementen.

Op het fries van 1642 boven de poort staat gebeiteld:

Ons magistraat en wijsen raet met de regenten al

haar eer en lof nimmermeer in 't stof verrotten zal

opdat se weer voor wesen teer, zoo Gouds als vreemde kinderen

hier in Ter Gouw dit schoon gebouw doen stichten zonder minderen.

Weeskinderen in Gouda die geen recht hadden op een plek in het Heilige Geestweeshuis, omdat zij geen kinderen van poorters (Goudse burgers), of ouder dan tien jaar waren, werden aan het begin van de Gouden Eeuw in pleeggezinnen geplaatst. De aalmoezeniers, die vergaderden in de door de stad geconfisqueerde Jeruzalemkapel aan de Spieringstraat, vonden dit niets. Ze kregen in 1578 van het stadsbestuur het Molkenhuis aan de Patersteeg ter beschikking, een deel van het Heilige Geesthuisweeshuis, om de wezen een vak te leren.

Voor een paar duizend gulden werden weefgetouwen gekocht om de kinderen lakens te leren weven. Een werkmeester moest erop toe zien dat ze het spinnen en weven onder de knie kregen. Een jaar later hadden de aalmoezeniers een wees- en werkhuis aan de Patersteeg. In 1586 werd de aalmoezenierskamer opgericht met regenten die belast waren met de armenzorg.

Het nieuwe Aalmoezeniersweeshuis werd in 1599 in gebruik nemen. Uit de stadskas werden hiervoor extra weefgetouwen en bedden aangeschaft, zodat 24 kinderen uit pleeggezinnen hier onderdak konden krijgen en een beroep als spinner of lakenwever konden leren.

De werkverschaffingsformule werkte niet. We kunnen nu slechts raden waarom: was het werk misschien niet voor alle kinderen weggelegd, of ervoeren commerciële lakenateliers het als oneerlijke concurrentie? In ieder geval veranderden de inzichten en werd in 1636 de werkplaats opgeheven en in gebruik genomen door Franse schoolmeesters. Wat we wel weten is dat de kinderen kerkten in de Sint Janskerk, waar ze hun eigen plek hadden ver van de kansel, waardoor ze de preek nauwelijks konden volgen.

Het aantal bedden in Aalmoezeniersweeshuis was al snel te klein. De regenten besloten daarom in 1641 de ernaast gelegen pandjes aan de Spieringstraat te kopen, waar ze in 1643 konden uitbreiden. Het overgebleven poortgebouw werd daar ook gebouwd.

De meeste stukken uit die tijd zijn verdwenen door de komst van de Bataafse Republiek, toen de zittende regenten door het nieuwe stadsbestuur werden ontslagen. Daardoor kunnen we nu alleen maar schatten dat er meer dan honderd jongens en meisjes waren gehuisvest.

Wie waren die aalmoezeniers?

Aalmoezeniers waren de bestuurders die verantwoordelijk waren voor het verstrekken van aalmoezen. Ze werden gekozen onder de vooraanstaande en rijke burgers van de stad. Het betrof hier dus geen kerkelijke functie. Het aalmoezenierschap was een erefunctie. De bestuurders werden niet bezoldigd en van hen werd verwacht dat ze ook zelf met eigen middelen een aanzienlijke bijdrage leverden voor de armenzorg.

Aalmoes of aalmoesgeving staat voor liefdadigheid. Het geven van geld of hulpgoederen aan armen. In de christelijke godsdienst is het geven van een aalmoes een plicht, en vooral goed als de gever dat op een onopvallende manier doet.