1572-1672

Goudse meesters van de Gouden Eeuw

Tot de Tachtigjarige Oorlog begon in 1568, speelde Gouda een belangrijke rol in de handel van turf en bier en had ze een welvarende lakenindustrie. Vooral Antwerpen was een belangrijke afzetmarkt. De onafhankelijkheidsoorlog van de Oranjegezinden met koning Filips II van Spanje, betekende het eind van de export naar de Vlaamse gewesten, waarna de meeste brouwerijen verdwenen. Handelaren moesten een flinke veer laten.

In 1572 bezetten de geuzen de stad onder leiding van Adriaen van Swieten. Het stadsbestuur besloot uit voorzorg voor plunderingen om de Sint-Janskerk te sluiten. Ondanks de oproep van Oranje om tolerant te zijn voor de katholieken, werden twee Goudse geestelijken door de troepen van de wrede Lumey gemarteld en gedood.

De Sint-Janskerk werd in 1573 aan de gereformeerden overgedragen en in 1577 werd het dominante kasteel aan de Hollandsche IJssel geheel gesloopt. De Goudse glazen, die bewondering afdwongen door hun kwaliteit, bleven gespaard, ondanks de alom aanwezige Bijbelse taferelen. Op nieuwe glazen die daarna werden ontworpen, kregen helden van de republiek en donateurs een plek.

De katholieke kerk was tot dan een belangrijke opdrachtgever voor de schilders, die het nu moeilijker kregen. Cornelis Ketel pakte zijn ezel op en zocht zijn heil in Londen. Anderen deden het ‘erbij’ en verdienen hun brood met andere werkzaamheden of moesten het hebben van familieportretten en schutterijstukken of decoratiewerk.

Tot aan het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bleef Gouda relatief tolerant voor katholieken. De predikant Herman Herbers speelt daarbij een belangrijke rol. De humanist Dirck Volkertsz. Coornhert draagt de Synodus van der Consciëntiën Vryheydt zelfs op aan de godsdiensvrijheid die dan in Gouda bestaat. 

De Goudse predikanten bleven bij de remonstrantse leer van de uit Oudewater afkomstige Arminius, toen de contra-remonstrantse beweging ontstond onder leiding van Gomerus. Het gevolg was dat na de Synode van Dordrecht in 1619, waar werd bepaald dat de contra-remonstrantse zienswijze de enige ware godsdienst was, drie remonstrantse predikanten de stad werden uitgezet.

De gematigde baljuw Schaep werd een jaar later vervangen door de fanatieke ‘ketterjager’ Anthony Cloots. Tot ergenis van Andries Louisz. Swaenswijck, die door Prins Maurits was aangesteld als lid van de Goudse vroedschap. Tussen 1624 en 1643 werd de populaire Swaenswijck daardoor maar liefst zeven maal gekozen als burgemeester. Na de dood van prins Maurits in 1625 luwden de vervolgingen van katholieken en remonstranten, maar toen kregen Goudse protestanten het onderling weer aan de stok.

Pastoor Petrus Purmerent, die in 1615 in Gouda was gekomen om de Sint-Jansparochie weer op te bouwen, kocht een aantal woningen aan de Hoge Gouwe en het Raam. Hij liet ze ombouwen tot een schuilkerk, gewijd aan Johannes de Doper. Dit was de basis van de Oudkatholieke Kerk op nummer 107. Purmerent was redelijk bemiddeld en gaf kunstenaars, katholiek of niet, opdrachten om altaarstukken te schilderen en andere schilderijen. Ook al was hij een katholiek priester, hij stimuleerde protestanten om voor de lieve vrede te kiezen voor de contra-remonstrantse beweging.

Christoffel Pierson

Christoffel Pierson werd in 1631 Den Haag geboren als zoon van een soldaat. Hij verhuisde naar Schiedam en trouwde in 1652 met Maria Willems. Het aanbod dat hij in 1653 tijdens zijn verblijf met zijn leermeester Meyburg in Duitsland kreeg om hofschilder van koningin Christina van Zweden te worden, sloeg hij af.

Een jaar later nam het koppel met hun kind zijn intrek in Gouda. Hier tekende Pierson op kalfsleer met inkt kopieen van de Goudse Glazen van de Sint-Janskerk voor reparatiedoeleinden, net als Arent Lepelaer en Julius Ceasar Boëthius dat deden. Na de dood van Maria in 1679 keerde hij met zijn nieuwe echtgenote Joppina Hodenpijl terug naar Schiedam, waar hun zoon Allard werd geboren, stamvader van het bankiersgeslacht Pierson.

Joppina overleed en Christoffel trouwde opnieuw, om in 1692 terug te keren naar Gouda. Hier werd hij in 1696 glazenier van de Sint Janskerk. Hij overleed in 1714, vier jaar na zijn derde vrouw Amarenthe Maria Paeuw.

Zijn olieverfschilderijen zijn te vinden in het Frans Hals Museum in Haarlem en in het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg. Het Museum Gouda heeft Een gezicht op Gouda en Een gezicht op het kasteel van Gouda, van rond 1684.

Kasteel van Gouda door Christoffel Pierson ca. 1684

Pieter Pourbus

Pieter Pourbus was een beroemde schilder en cartograaf die tot in het begin van de Gouden Eeuw in Brugge leefde, waar hij in 1584 overleed. Pourbus werd in 1523 geboren in Gouda. Waarschijnlijk door een uitnodiging van de Brugse schilder Lancelot Blondeel, belandde hij al rond zijn twintigste in Brugge. Pourbus trouwde met Blondeels dochter in 1549 en is dan al lid van het Sint Lucasgilde, het ambacht van kunstschilders.

Pourbus schilderde in de stijl van de Brugse school, het resultaat van een Vlaams-Italiaanse invloeden, maakte tekeningen, beelden en landkaarten, daarnaast was hij architect en ingenieur. Hij speelt een belangrijke rol in Brugge dat door door Antwerpen was voorbijgestreefd. Zijn eerste belangrijke opdracht was om de triomfale intocht van Karel V te schilderen en de kroning van Filips II in Brugge. Hij werd befaamd als portrettist die haarscherp detailleert en scenarist van Bijbelse thema’s. Hij ontving orders tot vanuit de Canarische eilanden. Ook Gouda was klant, hij schilderde twee altaarstukken, waarvan een voor de Sint Janskerk, maar hij kwam er niet voor terug naar zijn geboortestad.

Zijn zoon Frans Pourbus de Oudere (1545-1581) en zijn, aan het Franse hof populaire kleinzoon en portrettist Frans Pourbus de Jongere (1569-1622) traden in zijn voetsporen.

Werk van Pieter Pourbus is te zien in de vaste collectie van Museum Gouda: 

Pieter Pourbus, portret van een onbekende jonge vrouw uit 1554 die een sterke gelijkenis vertoont met prinses Anna van Oranje van Buren, vrouwe van IJsselstein, de eerste vrouw van Willem van Oranje.

Pieter Pourbus, de Wederopstanding (Musée des beaux-arts  in Belfort)

Adriaen van der Spelt

Adriaen van der Spelt (±1630-1673) werd omstreeks 1630 in Leiden geboren als zoon van de oorspronkelijk uit Gouda afkomstige glazenmaker Job Adriaensz. van der Spelt. Hij was waarschijnlijk omstreeks 1644 een leerling van Wouter Crabeth II. Hij is vooral bekend geworden als schilder van (bloem)stillevens. In 1658 werd hij lid van het schildersgilde in Leiden. Daarna vestigde hij zich als kunstschilder in Gouda. Van 1664 tot 1670 schilderde hij in Berlijn aan het hof van de Frederik Willem van Brandenburg, keurvorst van Brandenburg.

Na zijn Berlijnse periode keerde hij terug naar Gouda. Hij trouwde voor de derde keer met een kwaadaardige vrouw uit Groningen, volgens geschiedschrijver Ignatius Walvis.


"Pronkstilleven" van Adriaen van der Spelt uit 1661 (collectie Museum Gouda)

Cornelis Ketel

De begaafde, in Gouda geboren kunstschilder Cornelis Ketel (1548-1616) was net 25 jaar oud tijdens de Goudse bezetting door de geuzen in 1573 en kon geen droog brood verdienen. Hij besloot daarom zijn geboortestad te verlaten om voor het Engelse hof te gaan werken. Acht jaar later keerde hij terug naar Holland, maar niet naar Gouda, waar nog crisis heerste. Hij vestigde zich definitief in Amsterdam, waar hij in 1616 overleed. Zijn manier van werken op latere leeftijd was nogal onconventioneel en dat maakte indruk; hij schilderde niet alleen met penseel, maar ook met zijn vingers en voeten. Een Karel Appel avant la lettre.

Jan Daemesz. de Veth

Schilder Jan Daemesz. de Veth werd in 1595 Leiden geboren en trok in 1613 waarschijnlijk net als de Gouwenaar Wouter Crabeth II, via Frankrijk naar Rome om zich daar als schilder verder te ontwikkelen.

Na zijn terugkeer in Nederland vestigde hij zich in Gouda, waar hij diverse schutterstukken schilderde.

In 1620 trouwde hij met Adriana Philips Faverisdr. Ze betrokken een woning aan de Molenwerf. Hij had net het plan opgevat om zich te bekwamen in graveren toen hij overleed, ongeveer 30 jaar oud als slachtoffer van de pestepidemie van 1625.

De Goudse historicus Ignatius Walvis beschrijft dit als volgt:
"Hy hadde voor het plaatsnijden te leeren, doch wierde in 't jaar 1625 oud ontrent dertig jaaren, van eene besmettelijke ziekte aangetast, en overwonnen."

Schilderij van De Veth: Officieren van de schutterij o.l.v. kolonel Andries Lourisz. Swaenswijck. 1622. Gouda, Museum Gouda.

Wouter Pietersz Crabeth II

Crabeth werd geboren in 1594 als kleinzoon van de gelijknamige  Goudse glazenier en zoon van schepen en burgemeester Pieter Woutersz Crabeth. Hij leerde het schilderen van Cornelis Ketel, waarna hij in 1613 net als zijn Leidse collega Jan Daemesz. de Veth via Parijs en Aix-en-Provence naar Italië vertrok om met de bijnaam ‘De Almanak’ lid te worden van het schildersverbond de Bentvueghels. Crabeths werk werd daardoor zeer zeker beïnvloed door Italiaanse meesters schilders als Caravaggio. Crabeth werd daar vanwege zijn afkomst Wouter van der Gou genoemd.

In 1626 keerde hij terug naar Gouda en werd daar lid van de schutterij. Twee jaar later trouwde hij met Adriana, dochter van de toenmalige burgemeester Gerrit Vroesen, die in datzelfde jaar door Wouters vader werd opgevolgd. Als kapitein van de schutterij maakt Crabeth het wrede Beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629 mee.

In opdracht van pastoor Petrus Purmerent heeft hij dan al altaarstukken geschilderd voor de Sint-Jansparochie en het Catharinagasthuis, beide te zien in Museum Gouda en het Rijksmuseum. In 1631 en 1641 maakte hij nog twee altaarstukken voor de Johannes de Doper kerk. Crabeth was de belangrijkste Goudse schilder in de Gouden Eeuw. Hij overleed in 1644 en werd opgevolgd door zijn leerlingen Jan Ariens Duif, Dirk de Vrije, Adriaen Gerritsz de Vrije (zijn schoonzoon), Jan Govertsz Verbijl, Jan Verzijland en Aert Van Waes.

Het schilderij De Ongelovige Thomas uit de collectie van Museum Gouda hangt te leen in het Rijksmuseum.

In Museum Gouda hangt Ten-Hemelopneming van Maria 1628

Reinier van Persijn

Net als vele kunstenaars trok de in Alkmaar geboren Reinier van Persijn (1615-1668 naar Rome. Evenals Crabeth II werd hij lid van de Roomsche Schildersbent de Bentvueghels onder de naam Narcissus. Hij vestigde zich in Gouda en trouwde met Elisabeth van Raemburgh. Na haar overlijden huwde hij opnieuw, nu met Maria, de dochter van schilder Wouter Crabeth II. Van Persijn zijn veel gravures bewaard gebleven in Museum Gouda.

Hendrik Bary

Hendrik Bary (1632-1707) had meer succes dan zijn mede-leerling bij Reinier van Persijn, Aert van Waes. Bary werd een bekend portrettist. Van zijn helden Willem van Oranje, Michiel de Ruyter, Hugo de Groot en Erasmus maakte hij gravures, maar ook spotprenten. Over geld maakte hij zich als regent van het tuchthuis van Gouda geen zorgen. Zijn vrouw was Margaretha, dochter van burgemeester Govert Suijs.

Aert van Waes

Aert van Waes (±1620-na 1664) werd vooral bekend door zijn prenten van alledaagse figuren: aartige boerten volgens kronieker Walvis. Hij legde landlopers, zigeuners en boeren vast. Geen opdrachtgevers waarop een kunstenaar op binnenliep. Volgens Walvis zou ook hij de tocht via Frankrijk naar Italië hebben gemaakt als leerling van Crabeth. Het etsen leerde hij van Reinier van Persijn. Van Waes (±1620-na 1664), was zo gefrustreerd dat hij van met zijn kunst niet genoeg kon verdienen, dat hij onderstaande ets maakte in 1645. Het bijschrift spreekt boekdelen. 

Omdat ick door de konst niet quam tot myn vermeten, soo heb ick als ghij siet in de pinseel ghescheten.

Jan Ariens Duif

Op 18 Juni 1626 belandde Jan Ariensz. Duif (1617-1649) op negenjarige leeftijd in het Weeshuis. Daar viel zijn schilderstalent op en ging hij in de leer bij zijn neef Wouter Crabeth II. Hij werd bekend door zijn portretten en genrevoorstellingen.

Ander werken van Duif zijn portretten van de franciscaan Gregorius Simpernel uit 1640 en van de lutherse predikant Clemens Bijleveld uit 1642. Ook een afbeelding van de overleden pater Simpernel in 1649 is van zijn hand, het jaar waarin hij zelf nog jong stierf aan een ‘schielijke beroerdheid’, slechts twee jaar nadat hij met Marytie Pietersz, was getrouwd, .

Als negentienjarige jongen schilderde Duif in 1636 de regenten van het weeshuis. Hij schilderde zichzelf op onderstaand schilderij rechtsachter af als weesjongen naast de weesvader. Kijk ook eens naar het schilderij hieronder van de regenten die Jan Franse Verzijl acht jaar later schilderde.

Jan Franse Verzijl

Jan Franse Verzijl (1602-1647), was eveneens een leerling van Wouter Crabeth II. Net als zijn leermeester bezocht hij Italië wordt hij tot de caravaggisten gerekend. Uit het testament van zijn moeder blijkt dat hij rond 1625 in Rome verbleef, waarna hij rond 1629 de Goudse draad opppakte. De roomse schilder schilderde waarschijnlijk veel in opdracht van pastoor Willem de Swaen voor de schuilkerken en statie ‘de Tol’ in Gouda. Een deel van het werk van Verzijl bevindt zich in Museum Gouda.

De kinderloos overleden weduwe van Jan Verzijl, Helena 't Hart, liet 6.000 gulden na voor een hofje aan de Nieuwehaven te Gouda. In dit hofje, het 'Hartenerf', stonden zes woningen voor arme Gouwenaren. In 1965 is het gesloopt.

Op dit schilderij van Verzijl uit 1644 van de regenten van het Almoezeniersweeshuis liggen op de tafel de ontwerpen van het poortgebouw en de nieuwe vleugel van het weeshuis. De schilder portretteerde zichzelf linksachter de voorzitter, zijn zwager Gerrit Jansz ‘t Hart. Het lijkt met een knipoog naar Jan Arienz Duif, die zichzelf acht jaar eerder ook afbeeldde op een schilderij van de regenten (zie boven).

Dit schilderij ‘Jongeman als Bacchus’ van Verzijl kwam in 2015 in de belangstelling toen het  opdook bij een veiling in New York. De familie Stern uit Düseldorf werd in 1937 gedwongen het met nog zo’n 400 stukken aan Nazi’s te verkopen voor belachelijk lage prijs. Amerikaans nazaten claimde dat het destijds om een vorm van diefstal ging . De Turijnse galeriehouder die het aanbod, deed het vrijwillig van de hand toen hij vernam dat het een Nazi-verleden had. Het werk is nu in handen van de Max en Iris Stern Foundation.

Schilderijen van Sint Bonifatius en Sint Willibroordvan Verzijl in Museum Gouda