Pest

In 1574, 1625, 1636 en 1673 heerst er de pest in Gouda.  Voor de pestlijders werd in 1614 achter het leegstaande Maria Magdalenaconvent op de Varkensmarkt een pesthuis gebouwd. 

Het stadsbestuur trof tijdens de pestepidemieën tal van maatregelen om verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Besmette huizen worden gesloten, bedstro en huisvuil moesten buiten de stad worden verbrand en pestlijders werden verplicht een witte aanwijsstok te dragen, zodat ze nergens met hun handen aan hoefden te komen.

De eerste slachtoffers vielen onder de armen, maar naarmate de epidemie heviger werd, vielen ook de rijkere burgers voor de bijl.

De stad was echter veerkrachtig en herstelde zich snel. Gouda kende een korte bloeiperiode vanaf 1665 tot het Rampjaar 1672, waarbij de bevolking toenam tot zo’n 15 duizend mensen. Het jaar daarop volgde de laatste een pestepidemie waaraan bijna een vijfde van de bevolking overleed. De economisch terugval duurde een kwarteeuw. Zelfs de populaire pijpenindustrie werd daardoor geraakt.

De Goudse schilder Jan Daemsz. de Veth met nog een glansrijke carrière voor zich, overleed aan de pest tijdens de epidemie van 1625, dertig jaar oud.