1572-1672

IJsselsteentjes vonden gretig aftrek in de Gouden Eeuw

IJsselsteentjes, wie kent ze niet? Deze kleine gele bakstenen die werden gevormd uit rivierslib en gebakken in turfgestookte veldsteenovens op steenplaatsen, zoals de fabrieksterreinen van de steenfabrikanten werden genoemd. We vinden ze terug in monumentale panden, bolwerken, kademuren en als straatklinkers; van Antwerpen tot Groningen, maar ook in de tropen, waar handelsschepen ze achterlieten, nadat ze als ballast hadden gediend.

Natuursteen, was er niet in de Lage Landen, waardoor de meeste constructies van hout werden gebouwd met spanen-, of rieten daken. Alleen duurzame grote gebouwen werden van steen gebouwd, zoals kerken en burchten. Natuursteen werd geïmporteerd uit Duitsland en vanaf het begin van het vorige millennium gebakken in veldsteenovens die tijdelijk op de bouwplaats werden gemaakt.

Als houten panden in brand vlogen, was er geen houden aan. Zo brandde Gouda meerdere keren grotendeels af. De mensen kregen in de loop der eeuwen steeds meer bezittingen, de middenklasse groeide en de behoefte aan meer veiligheid om te voorkomen dat hun luxe door brand verloren ging, werd groter. Herenboeren lieten hun boerderijen van steen bouwen.

De verstening was dus nodig om economische rampen te voorkomen. Daarnaast werden pleinen en straatwegen aangelegd die moesten voorkomen dat koetsen en karren, getrokken door ossen en paarden, tot hun assen in de bagger wegzakten.

De basis-ingrediënten voor baksteenproductie, turf en rivierklei, waren in deze regio ruimschoots voorhanden en door de fantastische infrastructuur in de Lage Landen was vervoer van zware vrachten via water geen probleem. Er werd in de Gouden Eeuw dus niet meer bij de bouwplaatsen gebakken, maar in permanente veldsteenovens bij een kade aan de rivier ver van de stad Gouda langs de rivier om te voorkomen dat burgers last kregen van stank en rook tijdens de steencampagne.

De steenfabrieken langs de Hollandsche IJssel waren anders dan die langs de Rijn en Waal waar oude klei met een andere samenstelling werd gebruikt uit uiterwaarden.

De steenfabrikanten hier profiteerden van slibaanvoer door de getijden. Het water vol sediment steeg sneller bij vloed, dan dat het bij eb daalde. De vloedstroom nam de zwaardere slibdeeltjes mee, maar die bezonken omdat de stroming bij eb zwakker was. De rivierklei die achterbleef, kon worden uitgebaggerd en gebruikt om er klei van te kneden waarmee de rauwe stenen werden gevormd. Als die droog waren werden ze op een ingenieuze manier in de ovens gestapeld, zodat er turf tussen kon worden verbrand om de stenen te bakken. Zo’n ovenlading leverde een half miljoen stenen op.

De meeste steenplaatsen, zoals de fabrieksterreinen hier werden genoemd, hadden meerdere enkele ovens met aan beide zijden een turfschuur, van waaruit de turf in de vuurmonden werd gesmakt, of een dubbele oven, dat waren twee ovens die zo dicht bij elkaar stonden dat ze een turfschuur konden delen.

Het werk was weggelegd voor families die op de steenplaatsen woonden in arbeidershuisjes. Ze waren zelfvoorzienend, hadden een eigen moestuin en konden een varken houden en leefden vaak geïsoleerd. Vrouwen hielpen met kruien van stenen en ovens instapelen en uithalen. Kinderen werkten van jongs af aan op de plakvelden om kleistenen te kantelen, zodat ze rondom goed droogden.

Het gebaggerde slib werd in zellingen buitendijks opgeslagen om te versterven alvorens het geschikt was om als bakklei naar de steenplaats te verschepen.

Klik hier om een tekst te typen.

Familieperikelen onder ijsselsteenfabrikanten

In en rond de Gouden Eeuw wilden steenfabrikanten hun genen graag zeker gesteld zien. Over opvolging hanteerden ze daarom ongeschreven familiewetten, net als andere ondernemers in de welgestelde middenklasse.

Dat hield in dat de oudste, meest ervaren zoon, op een nieuwe plek in het zadel werd geholpen door een nieuwe steenplaats te stichten. Een voordeliger oplossing was om bij een openbare verkoop een bestaande over te nemen. Een goedkoop alternatief was om een dochter van een collega zonder zonen te strikken, hetgeen voor een tweede of volgende zoon ook nog een optie was. De middelste zonen hielpen in de regel pa of hun oudere broers vaak. De jongste telg bleef op de steenplaats om zijn ouders tot het laatst te steunen.

Vaak kozen kinderen, die weinig kans op opvolging hadden, ervoor om te gaan rentenieren of te boeren. Zo gek was dat laatste niet, want ook daarmee waren ze opgegroeid. De meesten hadden er een gemengd boerenbedrijf bij om in hun dagelijkse behoeften te voorzien. Voor dochterlief werd een geschikte partner gezocht, natuurlijk van stand en bij voorkeur een steenfabrikant of herenboer.

Waren er geen zonen, dan was het omgekeerd dus de handigste oplossing om de oudste dochter aan de zoon van een collega uit te huwelijken. Bij gebrek aan kandidaten was de noodoplossing om haar met een vertrouwde steenbakker te laten trouwen, de bedrijfsleider van de fabriek, die het klappen van de zweep kende. Zo’n vakman wist wat er kwam kijken op de werkvloer, terwijl de fabrikant zich hoofdzakelijk inliet met handelsrelaties en openbaar bestuursfuncties om de continuïteit van het bedrijf zeker te stellen.

Als pa overleed, was het de normaalste zaak van de wereld dat het bedrijf een tijdje werd voortgezet door zijn weduwe. Terwijl zij niet eens het recht had officiële handelingen te verrichten en om die reden onder curatele stond van haar zwager, broer of (schoon-)vader.

Na de dood van beide echtelieden moesten de bezittingen worden verdeeld onder de nabestaanden. De (schoon-)zonen regelden dat. Vaak was in een testament bepaald dat een van hen de fabriek mocht voortzetten en hij de andere nazaten voor een redelijk bedrag moest uitkopen, of dat die ter compensatie land of goederen erfden.

Was dat niet geregeld, dan was Leiden in last. Zeker als de directe nazaten al waren overleden en kleinkinderen of achterkleinkinderen hun rechtmatige deel opeisten. Het was dan niet ongebruikelijk dat zo’n fabriek nog jaren onder de naam ‚Ervan van ...’ voortbestond. Uiteindelijk werd het dan vaak opgelost met een openbare verkoping in een lokale herberg, waarbij de meest aan de steenplaats gehechte zoon de andere erven uitkocht, als er tenminste geen derde een stok tussen de spaken stak.

Dankzij deze, noem het, familiewetten zijn veel eigenaren van steenplaatsen terug te herleiden aan de hand van hun stamboom.

Waar Roock is, is vuur

Ovenstokers waren zzp’ers, die zich, als de oven ingeruimd werd en er gebakken moest worden, lieten inhuren door de fabrikanten. Zo iemand was Jan Roock, die achternaam kreeg hij dus niet voor niets. Hij kon rond 1597 de steenplaats De Korte Snelle in Gouderak aan het Kattendijkseblok overnemen die van Cornelis Brandsz was. Cornelis was een van de geboeders Brandsz die in 1543 de helft van alle steenplaatsen in Gouderak bezaten.

Roock, die veel nazaten kreeg, die ook in de steenbranche bleven hangen, ging de geschiedenis in, omdat de zoon van Brandsz, Ellert Cornelszn, het in de zomer van 1601 met hem aan de stok kreeg. Ellert woonde op de dijk naast de steenplaats en had in een dwarse bui de loopplank van Rooks steenplaats weggegooid, zodat de vrouwen van de steenplaats, die het kruiwerk moesten verrichten, het steenschip niet konden laden. Diezelfde avond, toen de plaatsers, zoals de arbeiders van een steenplaats werden genoemd, zaten te eten, had Ellert uit ballorigheid ook nog eens een stapel stenen omgegooid. Je begrijpt dat Roock daar niet blij mee was. Mogelijk was Ellert jaloers op Roock omdat hij de steenplaats in handen had gekregen

Hoe we dit weten? Roock diende op 20 januari 1602 een aanklacht in bij de baljuw. Niet in Gouderak, maar in Moordrecht. Een van de twee getuigen die zijn aanklacht ondertekenden, was vreemdgenoeg Ellerts vader die in Moordrecht woonde. Waarom de aanklacht een half jaar later werd ingediend, is onduidelijk. Waarschijnlijk omdat Roock het er met Brandzn die winter pas over had en Ellerts vader vond dat hij zijn zoon voor zijn ongepaste reactie de les moest lezen. Wat de baljuw ervan vond en hoe het afliep? Dat vertelt de geschiedenis niet, wellicht omdat Jan Roock kort daarop stierf. Wel weten we dat in 1661 Jan Roocks oudste zoon Adriaan, samen met Cornelis Berkhouwer een steenplaats in Nieuwerkerk kocht op Klein Hitland, de enige steenplaats van de vele langs de IJssel, waarvan de vier steenovens nu nog te zien zijn.

Steenplaatsen langs de getijrivier in de Gouden Eeuw

Gouderak

De meeste steenplaatsen die langs de dijk in Gouderak werden geëxploiteerd, waren waarschijnlijk het directe gevolg van maatregelen die het bakken van stenen bij de stad Gouda rond 1500 verbood, waardoor de fabrikanten moesten uitwijken.

De steenplaatsen  Korte Snelle, IJsselvrucht, Altena, het dorp en Middelblokpolder waren in 1543 alle van zonen van Brand. Ander steenplaatsen waren in Hoge Nesse IJsselzicht II en in Middelblok: De Eerste Steenplaats bij watermolen Drie Gebroeders, De Tweede Steenplaats Lindeboom en Valkenstein. Er is sprake van een steenplaats van Jan Proos in Middelblok die in 1637 in de IJssel verdronk, waarna zijn nazaten het voortzetten.

Haastrecht

In Haastrecht stonden in 1557 acht steenfabrieken op de kaart, die tijdens de Gouden Eeuw nog werden gebruikt.

In 1629 werden steenplaatsen genoemd in de polders Rosendael, Honart, Cleijn Ceulevaert en Beneden Haastrecht. De steenplaatsen van weduwe Marrietje Tromperts, de weduwe van Leen Claesz. en van Cornelis Jacobz. Cincq werden niet meer gebruikt.

In het Rampjaar 1672 werden ze door het leger gesloopt om van de bakstenen schansen op te kunnen werpen om Holland te verdedigen tegen de Franse troepen. Die slag kwamen de Haastrechtse steenbakkers nooit meer te boven. Alleen bij Stolwijkersluis ging Swaenenburg verder en Ganzenburg in polder Honaert achter het klooster.

Moordrecht

In Moordrecht was er al lang voor de Gouden Eeuw een steenfabriek bij het dorp. In de Gouden Eeuw kwam er bij de grens met Nieuwerkerk een bij in een buitendijks poldertje dat De Snelle heette. Hij staat voor het eerst op de kaart van 1661.

Ouderkerk aan aan den IJssel

Buitendijks was een steenplaats aan de Krimpense kant van het dorp die bekend stond als de Molenplaats, naar de korenmolen op de dijk. Huijch Crijsman was eigenaar van de Molenplaats in 1543. Hij werd opgevolgd door Willem Ganseman. Dat weten we omdat Gansemans erven in 1663 een kwart daarvan verkochten aan Pieter Baes. De plek waar deze steenplaats was, tegenover de huidige werkhaven Ver-Hitland, werd weggegraven bij de normalisering van de Hollandsche IJssel de in 1939. Aan de andere kant van het dorp, aan de dijk bij de Krompolder, waren twee fabrieken die waarschijnlijk gesticht werden in de Gouden Eeuw; ze werden Groene Plaats en Dikken Boom genoemd. Steenbakker Jan Mathijsse werd in 1661 genoemd in relatie tot de Dikken Boom. Hij had ook de steenplaats met twee ovens buitendijks op Ver-Hitland in Nieuwerkerk aan den IJssel, waar hij van 1610 tot 1637 woonde. De plek waar de laatstgenoemde stond werd overigens ook bij de normalisering weggegraven, net als de steenplaats op Spreeuwenhoek die net na de Gouden Eeuw in 1680 op de kaart verscheen tegenover Kortenoord. Van de buitendijkse steenplaats De Schans was Anthonis Leendertsz de fabrikant tot 1638, volgens het overlijdensregister. Van de andere steenplaats binnendijks in Hoge Nesse, de Doornboom, is bekend dat de familie Ouwejan daar al voor 1670 eigenaar was.

 

Krimpen aan den IJssel

De vijf steenplaatsen in Krimpen aan den IJssel Zandrak, Steenplaats 2 en 1, Veerpad en Stormpolder stonden er al voor de Gouden Eeuw begon. De oude plaats in Stormpolder viel daarvoor  nog onder Capelle aan den IJssel.

Capelle aan den IJssel

Binnen de huidige Capelse grenzen was er zeker een steenfabriek actief. Deze Oude Plaats werd verpacht door de ambachtsheer en hoorde bij het Slot van Capelle. In 1610 verkocht de koningsgezinde eigenaar, graaf Karel van Linge van Aremberg het aan de rijke Rotterdamse koopman Jan van der Veeken. De steenplaats Kouwenoord, aan de Groenedijk staat vermeld in 1584. Beide steenplaatsen in Capelle West, dat toen Keeten heette werden genoemd in 1629. De een was buitendijks, de ander binnendijks in Capelle West.

Nieuwerkerk aan den IJssel

In Nieuwerkerk was op Kortenoord al eeuwenlang een steenfabriek, toen Jan Mathijszoon in 1607 een stuk land buitendijks kocht om een fabriek te beginnen op Ver-Hitland. Willempge Cornelis volgde in 1627 op Klein Hitland. De eigenaren van de beide steenovens op Kortenoord waren Pieter Ingenszoon en Willem Jacobszoon.

De Nieuwerkerkse fabrieken bakten door tot ver na de Gouden Eeuw. De familie Mijnlieff, die Kortenoord en Klein Hitland in handen kreeg, hield het het langst vol langs de IJssel en stopte op Klein Hitland pas in 1964, terwijl de meeste anderen al rond 1900 al waren gestopt.

De Hollandse veldsteenovens in Klein Hitland bleven als enige bewaard en zijn aan de Groenendijk te bezichtigen. De tot villa omgebouwde steenoven De Olifant op Ver-Hitland behoorde tot een binnendijks gelegen steenplaats die pas na de Gouden Eeuw werd gebouwd en stopte in 1919. Deze vindt u op Leefgoed de Olifant.

 

In het boek De Olifant en de Dames Bloot leest u meer over de opkomst en ondergang van de ijsselsteenindustrie langs de Hollandsche IJssel. Het is toegespitst op rijksmonument Steenoven De Olifant op Ver-Hitland  in Nieuwerkerk. Het is verkrijgbaar via de boekhandel en de webshop van de Stichting Hollandsche IJssel Altijd Anders.