1572-1672

IJsselsteentjes vonden gretig aftrek in de Gouden Eeuw

IJsselsteentjes, wie kent ze niet? Deze kleine gele bakstenen werden gevormd uit rivierslib en gebakken in turfgestookte veldsteenovens op steenplaatsen, zoals de fabrieksterreinen van de steenfabrikanten werden genoemd. We vinden ze terug in monumentale panden, bolwerken, kademuren, schoorstenen, molens en als straatklinkers; van Antwerpen tot Groningen, maar ook in de tropen, waar handelsschepen ze achterlieten, nadat ze als ballast hadden gediend.

Natuursteen, was er niet in de Lage Landen, waardoor de meeste constructies van hout werden gebouwd met spanen-, of rieten daken. Alleen duurzame grote gebouwen werden van steen gebouwd, zoals kerken en burchten. Natuursteen werd geïmporteerd uit Duitsland en vanaf het begin van het vorige millennium gebakken in veldsteenovens die tijdelijk op de bouwplaats werden gemaakt.

Als houten panden in brand vlogen, was er geen houden aan. Zo brandde Gouda meerdere keren grotendeels af. De mensen kregen in de loop der eeuwen steeds meer bezittingen, de middenklasse groeide en de behoefte aan meer veiligheid om te voorkomen dat hun luxe door brand verloren ging, werd groter. Herenboeren lieten hun boerderijen van steen bouwen.

De verstening was dus nodig om economische rampen te voorkomen. Daarnaast werden pleinen en straatwegen aangelegd die moesten voorkomen dat koetsen en karren, getrokken door ossen en paarden, tot hun assen in de bagger wegzakten.

De basis-ingrediënten voor baksteenproductie, turf en rivierklei, waren in deze regio ruimschoots voorhanden en door de fantastische infrastructuur in de Lage Landen was vervoer van zware vrachten via water geen probleem. Er werd in de Gouden Eeuw dus niet meer bij de bouwplaatsen gebakken, maar in permanente veldsteenovens bij een kade aan de rivier ver van de stad Gouda langs de rivier om te voorkomen dat burgers last kregen van stank en rook tijdens de steencampagne.

De steenfabrieken langs de Hollandsche IJssel waren anders dan die langs de Rijn en Waal waar oude klei met een andere samenstelling werd gebruikt uit uiterwaarden.

De steenfabrikanten hier profiteerden van slibaanvoer in de rivier door de getijden. Het water vol sediment steeg sneller bij vloed, dan dat het bij eb daalde. De vloedstroom nam de zwaardere slibdeeltjes mee, maar die bezonken, omdat de stroming bij eb zwakker was.

De rivierklei die achterbleef, kon worden uitgebaggerd en gebruikt om er klei van te kneden waarmee de rauwe stenen werden gevormd. Als die droog waren werden ze op een ingenieuze manier in de ovens gestapeld, zodat er turf tussen kon worden verbrand om de stenen te bakken. Zo’n ovenlading leverde meer dan een half miljoen stenen op.

De meeste steenplaatsen, zoals de fabrieksterreinen hier werden genoemd, hadden meerdere enkele ovens met aan beide zijden een turfschuur, van waaruit de turf in de vuurmonden werd gesmakt, of een dubbele oven, dat waren twee ovens die zo dicht bij elkaar stonden dat ze een turfschuur konden delen.

Het werk was weggelegd voor families die op de steenplaatsen woonden in arbeidershuisjes. Ze waren zelfvoorzienend, hadden een eigen moestuin en konden een varken houden. Ze leefden vaak geïsoleerd. Vrouwen hielpen met kruien van stenen en ovens instapelen en uithalen. Kinderen werkten van jongs af aan op de plakvelden om kleistenen te kantelen, zodat ze rondom goed droogden.

Het gebaggerde slib werd in zellingen buitendijks opgeslagen om te versterven alvorens het geschikt was om als bakklei naar de steenplaats te verschepen.

Familieperikelen onder ijsselsteenfabrikanten

In en rond de Gouden Eeuw wilden steenfabrikanten hun genen graag zeker gesteld zien. Over opvolging hanteerden ze daarom ongeschreven familiewetten, net als andere ondernemers in de welgestelde middenklasse.

Dat hield in dat de oudste, meest ervaren zoon, op een nieuwe plek in het zadel werd geholpen door een nieuwe steenplaats te stichten. Een voordeliger oplossing was om bij een openbare verkoop een bestaande fabriek over te nemen. Een goedkoop alternatief was om een dochter van een collega zonder zonen te strikken, hetgeen voor een tweede of volgende zoon ook nog een optie was. De middelste zonen hielpen in de regel pa of hun oudere broers. De jongste telg bleef op de steenplaats om zijn ouders tot het laatst te steunen.

Vaak kozen kinderen, die weinig kans op opvolging hadden, ervoor om te gaan rentenieren of te boeren. Zo gek was dat laatste niet, want ook daarmee waren ze opgegroeid. De meesten hadden er een gemengd boerenbedrijf bij om in hun dagelijkse behoeften te voorzien. Voor dochterlief werd een geschikte partner gezocht, natuurlijk van stand en bij voorkeur een steenfabrikant of herenboer.

Waren er geen zonen, dan was het omgekeerd dus de handigste oplossing om de oudste dochter aan de zoon van een collega uit te huwelijken. Bij gebrek aan kandidaten was de noodoplossing om haar met een vertrouwde steenbakker te laten trouwen, de bedrijfsleider van de fabriek, die het klappen van de zweep kende. Zo’n vakman wist wat er kwam kijken op de werkvloer, terwijl de fabrikant zich hoofdzakelijk inliet met handelsrelaties en openbaar bestuursfuncties om de continuïteit van het bedrijf zeker te stellen.

Als pa overleed, was het de normaalste zaak van de wereld dat het bedrijf een tijdje werd voortgezet door zijn weduwe. Terwijl zij niet eens het recht had officiële handelingen te verrichten en om die reden onder curatele stond van haar zwager, broer of (schoon-)vader.

Na de dood van beide echtelieden moesten de bezittingen worden verdeeld onder de nabestaanden. De (schoon-)zonen regelden dat. Vaak was in een testament bepaald dat een van hen de fabriek mocht voortzetten en hij de andere nazaten voor een redelijk bedrag moest uitkopen, of dat die ter compensatie land of goederen erfden.

Was dat niet geregeld, dan was Leiden in last. Zeker als de directe nazaten al waren overleden en kleinkinderen of achterkleinkinderen hun rechtmatige deel opeisten. Het was dan niet ongebruikelijk dat zo’n fabriek nog jaren onder de naam ‚Ervan van ...’ voortbestond. Uiteindelijk werd het dan vaak opgelost met een openbare verkoping in een lokale herberg, waarbij de meest aan de steenplaats gehechte zoon de andere erven uitkocht, als er tenminste geen derde een stok tussen de spaken stak.

Dankzij deze, noem het, familiewetten zijn veel eigenaren van steenplaatsen terug te herleiden aan de hand van hun stamboom en omgekeerd.

Waar Roock is, is vuur

Ovenstokers waren zzp’ers die zich, als de oven ingeruimd werd en er gebakken moest worden, lieten inhuren door de fabrikanten. Zo iemand was Jan Roock, die achternaam had hij dus niet voor niets. Hij kon rond 1597 de steenplaats De Korte Snelle in Gouderak aan het Kattendijkseblok overnemen van Cornelis Brandsz. Cornelis was een van de geboeders Brandsz die in 1543 de helft van alle steenplaatsen in Gouderak bezaten.

Roock kreeg veel nazaten die ook in de steenbranche bleven hangen. Hij ging de geschiedenis in, omdat de zoon van Brandsz, Ellert Corneliszn, het in de zomer van 1601 met hem aan de stok kreeg. Ellert woonde op de dijk naast de steenplaats en had in een dwarse bui de loopplank van Roocks steenplaats weggegooid, zodat de vrouwen, die het kruiwerk op de steenplaatsen verrichtten, het steenschip niet konden laden. Diezelfde avond, toen de plaatsers, zoals de arbeiders van een steenplaats werden genoemd, zaten te eten, had Ellert uit ballorigheid ook nog eens een stapel stenen omgegooid. Je begrijpt dat Roock daar niet blij mee was.

Mogelijk was Ellert jaloers op Roock, omdat hij de steenplaats van zijn vader in handen had gekregen

Hoe we dit weten? Roock diende op 20 januari 1602 een aanklacht in bij de baljuw. Niet in Gouderak, maar in Moordrecht. Een van de twee getuigen die zijn aanklacht ondertekenden, was vreemdgenoeg Ellerts vader die in Moordrecht woonde.

Waarom de aanklacht een half jaar later werd ingediend, is onduidelijk. Waarschijnlijk omdat Roock het er met Brandzn die winter pas over had en Ellerts vader vond dat hij zijn zoon voor zijn ongepaste reactie de les moest lezen. Wat de baljuw ervan vond en hoe het afliep? Dat vertelt de geschiedenis niet, wellicht omdat Jan Roock kort daarop stierf.

Wel weten we dat in 1661 Jan Roocks oudste zoon Adriaan, waarschijnlijk voor zijn zoon, samen met Cornelis Berkhouwer, de steenplaats in Nieuwerkerk kocht op Klein Hitland, de enige steenplaats van de vele langs de IJssel, waarvan de vier steenovens nu nog te zien zijn.

Deze vier ovens zijn nu een rijksmonument van de gemeente Zuidplas. De Stichting Steenovens Klein Hitland zoekt een zinvolle bestemming voor dit unieke complex en organiseert activiteiten om het erfgoed in de belangstelling te houden.

IJsselsteentjes gingen de hele wereld over 

De handelsvaart legde in de IJsselregio geen windeieren. De vloten van de handelshuizen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West Indisch Compagnie (WIC) hadden kilometers kabel en touw nodig en vele vierkante hectaren zeildoek. Veel daarvan werd langs de IJssel vervaardigd.

Wat je niet direct zou verwachten, is dat ijsselsteenfabrikanten baat hadden bij de handel- en wandel van de reders. Maar dat was wel het geval. De handels­schepen voeren onder veel zeil, zodat ze veel gang konden maken. Niet alleen om sterke stromingen te trotseren, maar ook om uit handen te blijven van kapers. De fluiten en galjoenen zouden op weg naar hun bestemmingen wankelen, onbestuurbaar zijn, zelfs omslaan als ze leeg vertrokken, topzwaar door alle kanonnen op het tussendek.

Daarom ging er ballast mee in de vorm van bakstenen, om de doodeenvoudige reden dat het alternatief keien zouden gaan rollen, wat tot gevaarlijke situaties kond leiden.

Onze ijsselsteentjes waren favoriet, met name hardgebakken exemplaren, omdat die relatief zwaar waren en geen vocht opnamen als er water werd gemaakt. En dat kwam vaak voor, zeker als schepen ouder werden. Als een nieuwe lading onderweg werd ingenomen, werd voor hetzelfde gewicht aan ijselsteen aan wal gebracht. Met de overgebleven stenen kon het schip worden getrimd.

Aan land wisten ‚onze mannen’ wel raad met de overbodige ballast. Deze kwaliteit ijsselsteen was namelijk prima geschikt om waterputten en schoorstenen van te metselen. Daardoor zijn er nog steeds steentjes terug te vinden op voormalige handelsposten van de VOC en WIC, die in de vele ovens aan de Hollandsche IJssel werden gebakken.

Op de Antillen werden deze eveneens gebruikt om indigobakken van de metselen. Zo ook de bakken op de plantage Blaauw op Curaçao. Bols vermengde dat met jenever en noemde het resultaat Blue Curaçao. Indigo is een plant die, naast suikerriet en tabak, verbouwd werd voor zijn blauwe kleurpigment.

Veel van deze, wat donkerder stenen werden ook gebruikt om de stevige hoeken van een pand op te metselen, waarna de muren ertussen met lokale brokken puinsteen werden gemaakt.

Hollands fort van ijsselsteen uit 1670 in Pulau Pangkor in Perak Maleisië (Wikipedia.org)

Er ging bij de handelsvaart in de Gouden Eeuw nogal eens een schip naar de haaien omdat het lek sloeg, of lek werd geschoten. Het hout van de wrakken verging, maar de wrak­locaties worden nu nog steeds gevonden dankzij de ballast, bestaande uit ijsselstenen, die nu, eeuwen later, soms nog keurig gestapeld op de zeebodem in de vorm van het schip terug worden gevonden.

De ijsselstenen gingen niet alleen als ballast naar overzeese gebiedsdelen, ook als bestelling van bouwmateriaal voor gebouwen van rijke kolonisten, kerken, regeringsgebouwen of forten. Google op Dutch yellow brick en je staat verbaasd over de hoeveelheid hits van all over the world. Op ondermeer Indonesië, Sri Lanka, Maleisië, Zuid-Afrika, de Antillen, West-Afrika en Oost-Amerika zijn deze bouwwerken nu rijksmonumenten.

IJsselsteen op Sint Eustatius

Voorbeelden te over dus, maar we nemen één locatie als voorbeeld van panden die van geëxporteerde ijsselsteen zijn gebouwd en wel in een van onze Nederlandse, redelijk goed geconserveerde, gemeente overzee: Sint Eustatius. Dit was in de Gouden Eeuw een belangrijk distributiepunt voor de slavenhandel.

Vanuit diverse posten in West-Afrika werden de arme sloebers op dit eilandje opgeslagen om vervolgens te worden verscheept naar de plantages op het Amerikaanse vastenland. De Zeeuwen namen Sint Eustatius in bezit in 1636 en losten het zoetwaterprobleem op, dat ervoor had gezorgd dat andere mogendheden weinig interesse voor dit eiland hadden.

Door enorme citerns te metselen kregen de Zeeuwen het voor elkaar om voldoende zoetwater op te slaan. Het eiland werd daarna de meest winstgevende plek van de WIC. Er werden plantages opgericht voor suikerriet-, tabaks- en indigoteelt.

Ruïnes van de oude pakhuizen op het strand beneden bij Fort Oranje Sint Eustatius (Foto Boy Lawson) van ijsselsteen.

Zestien verdedigingswerken, waaronder Fort Oranje, moesten de vijand buiten de deur houden. Hier vinden we overal metselwerk met de gele stenen terug.

Een halve eeuw na de Gouden Eeuw werd het grote huis van planter Simon Doncker van ijsselsteen gebouwd, nu het historisch museum van Sint Eustatius.

De joodse synagoge Honen Dalim op Sint Eustatius werd van ijsselsteen opgetrokken

In diezelfde periode  werd de joodse synagoge Honen Dalim op Sint Eustatius van ijsselsteen opgetrokken. Het metselwerk van deze synagoge toont dat de ijsselsteentjes niet gelijk van maat zijn. Een ‘inferieure kwaliteit’ noemt een journalist van het Reformatorisch Dagblad dit, terwijl ze ieder voor zich de tand des tijds toch goed hebben doorstaan.

Problemen met maatvoering

Die maatverschillen had een oorzaak. De grootte van de ijsselsteen was namelijk afhankelijk van de baktemperatuur en die hing af van de afstand van de steen in de oven tot de vuurmond. Ook het vochtgehalte van de natte klei bij het vormen speelde een rol. Dit was, na droging, bepalend voor de maat van de rauwe stenen, zo genoemd voordat ze werden gebakken.

Dat maatverschil werd een groot probleem voor de steenbakkers toen ze overstapten van bakken in opdracht voor een bouwproject, naar bakken voor de vrije markt. Hun stenen moesten plotseling door elkaar worden gebruikt met die van andere leveranciers en maatverschillen leverde dan problemen op.

De stad Gouda, die destijds de baksteenhandel controleerde, schreef tegen beter weten in vaste formaten voor. De steenfabrikanten lagen daarover regelmatig in de clinch met de Goudse keurmeesters. Ze verenigden zich zelfs om elkaar bij te staan, door de gerechtskosten te delen van een beroep tegen de hoge boetes die werden opgelegd bij afwijkingen op de voorgeschreven maten.

Verkeerd gebruik van zachte ijsselsteen

Als er over zee serieus iets gebouwd moest worden, gebruikte men dus geen ballast, maar een partij op bestelling. En daarbij ging ook wel eens wat mis. Om budgetaire redenen en of uit onkunde, werden goedkopere bakstenen verscheept, die weliswaar wat groter waren dan gemiddeld, maar daardoor ook zwakker. Die hadden in de oven namelijk verder van de vuurmond gestaan en waren daardoor minder heet gebakken, ze sinterden niet en bleven poreus. Prima te gebruiken voor binnenmuren. Maar als die op tropische, vochtige bestemmingen werden gebruikt voor de buitenmuren, vielen ze in no time uit elkaar. Een kat in de zak voor de opdrachtgever. Want dat waren wel inferieure ijsselstenen voor buitenmuren.

 

 

Steenplaatsen langs de getijrivier in de Gouden Eeuw

Gouderak

De meeste steenplaatsen die langs de dijk in Gouderak werden geëxploiteerd, waren waarschijnlijk het directe gevolg van maatregelen die het bakken van stenen bij de stad Gouda rond 1500 verbood, waardoor de fabrikanten moesten uitwijken.

De steenplaatsen  Korte Snelle, IJsselvrucht, Altena, het dorp en Middelblokpolder waren in 1543 alle van zonen van Brand. Ander steenplaatsen waren in Hoge Nesse IJsselzicht II en in Middelblok: De Eerste Steenplaats bij watermolen Drie Gebroeders, De Tweede Steenplaats Lindeboom en Valkenstein. Er is sprake van een steenplaats van Jan Proos in Middelblok die in 1637 in de IJssel verdronk, waarna zijn nazaten het voortzetten.

Haastrecht

In Haastrecht stonden in 1557 acht steenfabrieken op de kaart, die tijdens de Gouden Eeuw nog werden gebruikt.

In 1629 werden steenplaatsen genoemd in de polders Rosendael, Honart, Cleijn Ceulevaert en Beneden Haastrecht. De steenplaatsen van weduwe Marrietje Tromperts, de weduwe van Leen Claesz. en van Cornelis Jacobz. Cincq werden niet meer gebruikt.

In het Rampjaar 1672 werden ze door het leger gesloopt om van de bakstenen schansen op te kunnen werpen om Holland te verdedigen tegen de Franse troepen. Die slag kwamen de Haastrechtse steenbakkers nooit meer te boven (Zie hoofdstuk onder) Alleen bij Stolwijkersluis ging Swaenenburg verder en Ganzenburg in polder Honaert achter het klooster.

Moordrecht

In Moordrecht was er al lang voor de Gouden Eeuw een steenfabriek bij het dorp. In de Gouden Eeuw kwam er bij de grens met Nieuwerkerk een bij in een buitendijks poldertje dat De Snelle heette. Hij staat voor het eerst op de kaart van 1661.

Ouderkerk aan aan den IJssel

Buitendijks was een steenplaats aan de Krimpense kant van het dorp die bekend stond als de Molenplaats, naar de korenmolen op de dijk. Huijch Crijsman was eigenaar van de Molenplaats in 1543. Hij werd opgevolgd door Willem Ganseman. Dat weten we omdat Gansemans erven in 1663 een kwart daarvan verkochten aan Pieter Baes. De plek waar deze steenplaats was, tegenover de huidige werkhaven Ver-Hitland, werd weggegraven bij de normalisering van de Hollandsche IJssel de in 1939. Aan de andere kant van het dorp, aan de dijk bij de Krompolder, waren twee fabrieken die waarschijnlijk gesticht werden in de Gouden Eeuw; ze werden Groene Plaats en Dikken Boom genoemd. Steenbakker Jan Mathijsse werd in 1661 genoemd in relatie tot de Dikken Boom. Hij had ook de steenplaats met twee ovens buitendijks op Ver-Hitland in Nieuwerkerk aan den IJssel, waar hij van 1610 tot 1637 woonde. De plek waar de laatstgenoemde stond werd overigens ook bij de normalisering weggegraven, net als de steenplaats op Spreeuwenhoek die net na de Gouden Eeuw in 1680 op de kaart verscheen tegenover Kortenoord. Van de buitendijkse steenplaats De Schans was Anthonis Leendertsz de fabrikant tot 1638, volgens het overlijdensregister. Van de andere steenplaats binnendijks in Hoge Nesse, de Doornboom, is bekend dat de familie Ouwejan daar al voor 1670 eigenaar was.

Krimpen aan den IJssel

De vijf steenplaatsen in Krimpen aan den IJssel Zandrak, Steenplaats 2 en 1, Veerpad en Stormpolder stonden er al voor de Gouden Eeuw begon. De oude plaats in Stormpolder viel daarvoor  nog onder Capelle aan den IJssel.

Capelle aan den IJssel

Binnen de huidige Capelse grenzen werd de steenplaats, bekend als de Oude Plaats verpacht door de ambachtsheer die in het Slot van Capelle woonde. In 1610 verkocht de koningsgezinde eigenaar, graaf Karel van Linge van Aremberg het aan de rijke Rotterdamse koopman Jan van der Veeken.

De steenplaats Kouwenoord, een samengestelde naam van twee steenplaatsen Kouwenhoek en IJsseloord, aan de Groenedijk wordt genoemd in 1584.

Beide steenplaatsen in Capelle West, dat toen nog Keeten heette verschenen in beeld in 1629. De een was buitendijks, de ander binnendijks in Capelle West.

Nieuwerkerk aan den IJssel

In Nieuwerkerk was op Kortenoord al eeuwenlang een steenfabriek, toen Jan Mathijszoon in 1607 een stuk land buitendijks kocht om een fabriek te beginnen op Ver-Hitland. Willempge Cornelis volgde in 1627 op Klein Hitland. De eigenaren van de beide steenovens op Kortenoord waren Pieter Ingenszoon en Willem Jacobszoon.

De Nieuwerkerkse fabrieken bakten door tot ver na de Gouden Eeuw. De familie Mijnlieff, die Kortenoord en Klein Hitland in handen kreeg, hield het het langst vol langs de IJssel en stopte op Klein Hitland pas in 1964, terwijl de meeste anderen al rond 1900 al waren gestopt. 

De Hollandse veldsteenovens in Klein Hitland bleven als enige bewaard en zijn aan de Groenendijk te bezichtigen. De patio van de monumentale villa op Ver-Hitland is gemaakt van veldsteenoven De Olifant, die behoorde tot de binnendijks gelegen steenplaats die daar na de Gouden Eeuw tussen twee boezems werd gesticht. De laatste eigenaar Bloot stopte in 1919. De villa vindt u op Leefgoed de Olifant en kan tijdens Open Monumentenweek worden bezichtigd.

Bloei en vernietiging Haastrechts steenplaatsen

Afbeelding: de kaart uit 1683 van Leupenius, gemaakt in opdracht van waterschap Krimpenerwaard laat de ligging van twee steenplaatsen zien, of beide steenplaatsen weer in gebruik waren genomen is onbekend. Die bij Stolwijkersluis (Swanenburg), wordt in 1750 genoemd in relatie tot zijn eigenaar Leonard Reijnierse Swanenburg die de steenplaats IJsselvrucht in Moordrecht kocht.

In 1606 gaf Gouda het ambacht Haastrecht toestemming om een steenplaats voor drie jaar te exploiteren. Dat gebeurde onder toezicht van een commissie die was ingesteld om de kwaliteit te controleren, want het ambacht met Haastrecht viel onder Gouda. Waarschijnlijk ging het om een fabriek die een poging moest doen om dakpannen te fabriceren, want daar had de stad de meeste behoefte aan. Hierna zijn geen stukken meer te vinden over steenbakkerijen die langs de IJssel nog dakpannen maakten. Het broze baksel van de IJsselklei was voor bakstenen geen probleem, maar ongeschikt voor de dunnere dakpannen.

In 1629 zijn er steenplaatsen in de polders Rozendaal (van Jan Aertz), Honart (Steenplaats Ganzeburg van Cornelis Claesz van Erckel), Klein Keulevaart (Laurens Crom) en Beneden Haastrecht, waaronder een die Boezem Vlist werd genoemd (waarschijnlijk ook van Jan Aertsz.). Drie steenplaatsen niet in gebruik, die van weduwe Marritjen van Gerrit Tromperts met twee ovens, een vervallen steenplaats van de weduwe van Leentjen Claesz. en een steenplaats van Cornelis Jacobz. Cincq met twee ovens.

Een verzoekschrift om belastingvermindering door Haastrecht aan de Staten van Holland en West-Friesland maakt melding van twaalf steenbakkers die rond 1670 in Haastrecht actief waren. Uit de volgorde van de namen en met behulp van oude kaarten kan enigszins worden herleid waar welke steenfabrikant was gevestigd langs Haastrechtse IJsseloever.

Rampjaar betekent einde 

Door de Franse inval in 1672 kwam er een eind aan de activiteiten. Alle steenovens werden leegehaald en gesloopt door de troepen van stadhouder Willem III van Oranje, die de stenen gebruikten om er schansen van de maken. Voor de Haastrechtse steenfabrikanten een tegenslag die ze nooit teboven zouden gekomen.

Vijf van deze steenplaatsen waren van weduwen. Alleen steenplaats Ganzenburg in de polder Honaart werd opnieuw in gebruik genomen.

De steenbakkers die hun ovens verloren in het Rampjaar 1672 waren: Stijntje Henbeecks, wed. en kinderen van Mr. Pieter Hensbeeck, Dirck Reijnierts de Swaen, Marritgen Jan Buyrs, Marritgen Vermeulen, Jan Aertsz., Maritgen Aartsdr., Pieter Amoureus, Cornelis Claesz van Erckel, Bartholomeus Coenraaetz en Laurens Crom.

Haastrecht speelde een in de 15e eeuw al een belangrijke rol in de baksteenindustrie. In 1494 waren daar maar liefst zes steenplaatsen langs de rivier. De uiterwaarden van de Hollandsche IJssel zaten toen nog vol roodbakkende klei waar grote stenen en dakpannen van konden worden gebakken: rivierklei van voor de afsluiting van de riviertak met de IJsseldam bij Klaphek in de 13e eeuw.

Het bezinksel dat daarna de Haastrechtse uiterwaarden bereikte had een veel fijnere samenstelling omdat dit sediment een langere weg via de Lek, Nieuwe Waterweg en benedenloop moest afleggen. Daardoor kreeg de klei andere hygroscopische eigenschappen en hield het vocht vast, waardoor er alleen kleine stenen van konden worden gebakken.

De verstening van Gouda was noodzakelijk uit angst voor stadsbranden. Aan de Oude Rijn bij Woerden, werd nog wel klei gewonnen die geschikt was voor grotere stenen, dakpannen en rioolbuizen, maar dat lag in de Utrechtse Sticht, buiten de invloedsfeer van Gouda.

In 1543 en 1553 zijn er negen steenplaatsen actief volgens het register van de Tiende Penning, in 1557 nog acht.

 

In het boek De Olifant en de Dames Bloot leest u meer over de opkomst en ondergang van de ijsselsteenindustrie langs de Hollandsche IJssel. Het is toegespitst op rijksmonument Steenoven De Olifant op Ver-Hitland  in Nieuwerkerk. Het is verkrijgbaar via de boekhandel en de webshop van de Stichting Hollandsche IJssel Altijd Anders.