1576-1679

Heerlijkheid de Lek en prins Maurits’ bastaarden

Een groot deel van de Krimpenerwaard behoorde in de Gouden Eeuw toe aan de Van Nassaus. Toen prins René van Chalon van Orange, geboren als Reinhart van Nassau Breda, overleed, zorgde keizer Karel V ervoor dat René’s neefje, Willem van Nassau Dillenburg, zijn bezittingen kreeg. Ook de heerlijkheid De Lek viel hem ten deel, een groot deel van de Krimpenerwaard, met Ouderkerk als belangrijkste plaats.

De jonge Willem kreeg niet alleen heel veel bezittingen in Nederland en België in de schoot geworpen, maar ook in Frankrijk, waaronder het soevereine staatje prinsdom Orange. Na zijn huwelijk met Anna van Egmond werd de prins in een klap de grootste landeigenaar van de Lage Landen. Willem van Oranje bemoeide zich in de praktijk niet met heerlijkheid De Lek (La Lecq), wat hoofdzakelijk visrechten opleverde. Er waren ook agrarische bedrijven en wat steenbakkerijen. De hoofdplaats was Ouderkerk (Ouwerkerk). Willem liet net als zijn voorgangers de lage rechtspraak en het vruchtgebruik over aan een ambachtsheer.

Maurits van Nassau koopt heerlijkheid De Lek

Maurits van Nassau werd na de moord op zijn vader stadhouder van de jonge republiek. Zijn oudere broer Filips Willem, katholiek opgevoed aan het Spaanse hof, erfde de meeste bezittingen van hun vader en de titel prins van Oranje.

Van 1600 tot 1610 was de katholieke Margaretha van Mechelen de partner van de protestantse Maurits. Ze kregen samen drie kinderen, waarvan de jongste, vernoemd naar zijn vader, jong overleed. Maurits voelde er niet voor om met Margaretha trouwen, omdat hij interessantere opties voor zijn carrière open wilde houden. Dat ze katholiek was, terwijl hij vocht voor de protestantse zaak, zal mee hebben gespeeld. Hun kinderen waren dus bastaarden.

Maurits was het niet eens met zijn halfbroers over de verdeling van de erfenis van hun vader en kocht de rechten van heerlijkheid De Lek in 1613 van ambachtsheer Albracht van Naaldwijk. Zo kon hij zijn oudste zoon Willem de titel heer van Nassau-La Lecq geven. Zijn tweede zoon, Lodewijk, kreeg de heerlijkheden Beverweerd en Odijk toebedeeld.

Lodewijk erfde het deel van zijn broer Willem die in 1627 sneuvelde in de slag bij Grol. Lodewijk, eveneens militair, werd luitenant-generaal van de Infanterie, lid van de Raad van State en ging voor zijn oom Frederik Hendrik, die zijn vader had opgevolgd, naar Engeland als gazant voor het huwelijk van zijn neef prins Willem II.

Lodewijk van Nassau de Lek had het vertrouwen van zowel het Huis van Oranje als van de Staten en trad tussen beide als bemiddelaar op. Hij trouwde met Elisabeth, gravin van Hornes. Ze kregen negen kinderen.

Drie dochters trouwden met Engelse en Schotse graven.

Drie zoons, Maurits van Nassau de Lek, Willem Adriaan van Nassau van Odijk en Hendrik van Nassau Ouwerkerk, werden in 1679 door keizer Leopold I in de Rijksgravenstand verheven, waardoor zij de titel en het wapen van de graven van Nassau mochten voeren. De drie broers werden allen militair.

Hoe het verder liep

Maurits, graaf van Nassau de Lek, en Anna Isabella kregen een zoon: Maurits Lodewijk. Die kreeg financiële problemen en moest landgoed binnen de ambachtsheerlijkheid de Lek verkopen om zijn hoofd boven water te houden. Zijn acht kinderen liet hij de schulden na. Eén van hen, Hendrik Carel, kon het resterende erfgoed van de Lek voor de familie nog redden dankzij zijn vrouw, de rijke bankierster Adriana Margaretha Huegetan.

De familie woonde niet in heerlijkheid De Lek, maar een aantal van hen belandde wel in het praalgraf van de Van Nassaus de Lek dat in de Ouderkerkse dorpskerk te bezichtigen is.

De nazaten hebben het gezamenlijk beheerd tot 1888. Daarna is het ondergebracht in een Naamloze Vennootschap die in 1960 uit het handelsregister is geschrapt.

 

Downingstreet 10

Graaf Hendrik van Nassau Ouwerkerk ging naar Engeland toen de prins Willem III Stadhouder-Koning van Engeland werd. Aan zijn hof werd hij opperstalmeester. Hij woonde in Londen, Downingstreet 10, onder Engelsen beter bekend als the Oldkirk House.