1582-1673

IJsselstein in de Gouden Eeuw

In de Tachtigjarige Oorlog bleef de baronie IJsselstein onafhankelijk. Willem van Oranje had de baronie door zijn huwelijk in 1551 met gravin Anna van Egmond en Buren (1533-1558) en ondermeer vrouwe van IJsselstein, in handen gekregen. Hij liet in 1560 het stadhuis bouwen. Na het Plakkaat van Verlatinghe kon hij het als prins van het soevereine staatje Oranje (Orange) in Frankrijk onder zijn gezag plaatsen.

 

Het onafhankelijke staatje was daardoor niet schatplichtig aan het graafschap Holland. Prinses Maria van Nassau, die tot 1608 de soevereiniteit waarnam voor haar broer Prins Filips-Willem van Oranje die gegijzeld in Spanje zat, regelde in 1585 bij de Raad van State wel dat IJsselstein jaarlijks drieduizend gulden ging bijdragen aan de kas van de Unie.

Het mini-staatje op de grens van Holland en Utrecht bleef daardoor niet uit de problemen. De inwoners hadden last van stropende huurlingen die in de schans aan de Meerenhoef in IJsselstein en in Benschop waren gelegerd. In 1587 gaf het bestuur bij prins Maurits, die zijn vader als stadhouder had opgevolgd, aan, dat de maat vol was en ze het wel wat overdreven vonden dat ze veertig paarden in de stad moesten onderhouden en de soldaten zich spullen toe-eigenden. Sommigen vrouwen en kinderen waren hun huizen al uitgejaagd.

In 1618 overlijdt Filips-Willem en volgt zijn halfbroer Maurits hem op als baron van IJsselstein. Als Maurits sterft in 1625 krijgt zijn halfbroer Frederik Hendrik tot zijn dood in 1647 de soevereiniteit, gevolgd door Willem II (1650) en Willem III (1661).

De Prinsen van Oranje waren in naam wel heersers, maar bemoeiden zich weinig met de baronie.

Rampjaar

Deze soevereiniteit hielp de baronie niet tijdens de oorlog in 1672 en 1673 tegen Zonnekoning Lodewijk XIV van Frankrijk.

Niet minder dan drieëndertig compagnieën van het regiment van Sault legerden zich in de baronie. Om de neutraliteit te behouden moest de baronie wekelijks tachtig rijksdaalders betalen en achthonderd wagens met leefgoed leveren. Dit ging gepaard met plundering, brandstichting en het slopen van huizen.

Het slot dat door de Fransen met palissaden en geschut was versterkt, werd opgeblazen.

De Lopikerwaard werd onder water gezet als onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie. Daarvoor werd in 1672 bij Klaphek de Lekdijk doorgebroken op last van de Franse legerleider hertog van Luxemburg.

Dit gat kon pas in september 1673 door IJsselstein worden gedicht.

Prins Willem III van Oranje, hervormde in 1675 de wet en regelgeving in IJsselstein. Hij had verder niets met de baronie en overwoog zelfs om het te verruilen voor een stuk jachtterrein op de Veluwe.

 

 

Kaart van halverwege de 17e eeuw

Via Anna van Egmond kwam IJsselstein onder het soevereine Prinsdom Orange

Waterhuishouding

Het leven van de bewoners ging in de Gouden Eeuw gewoon door. Door inklinking konden de twee molens van het waterschap onder IJsselstein niet voldoende op de IJssel lozen, zodat de polder nat bleef. De ingelanden besloten daarom 1589 een derde molen te bouwen naar een ontwerp van Simon Stevin. Langs de Heeswijkse Zijdeweg groeven ze een molenvliet. De nieuwe Hoekse molen, genoemd naar de Knollemanshoek waar hij stond, maalde het vandaar in de IJssel.

 

Kasteel verbouwd

Rond de eeuwwisseling werd een deel van de galerij van het kasteel van IJsselstein verbouwd tot woonvleugel.

 

Nieuwe spits op Sint-Nicolaaskerk

Het ontbreken van een spits na een blikseminslag (1568) op

de toren van de oude Sint-Nicolaaskerk was een doorn in het oog van de protestantse gemeente. Steenhouwer Adriaen van Spieringshoeck kreeg daarom in 1635 de opdracht om de toren in oude luister te herstellen in de stijl van het eerder verloren gegane exemplaar; octagonaal met een houten spits. De katholieken kerkten tot dat moment in de schuilkerk aan de Molenstraat. In dit jaar verhuisden ze naar de Havenstraat, waar ze een nieuwe statiekerk konden bouwen.

 

Standerdmolen op zuidhoek van de stad

In deze periode werd ook de korenmolen op de zuidhoek van de stad vervangen door een standerdmolen.