1584-1672

Goudse weefateliers waren van Vlaamse immigranten

Veel van de Vlamingen die aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog de wijk namen en aan in de Gouden Eeuw in Gouda belandden, kwamen uit Oudenaarde, samen met Brussel de belangrijkste plek waar wandtapijten werd geweven. Waar in Brusselse ateliers hoofdzakelijk in opdracht werd gewerkt voor de elite, werkten Oudenaarders voor de handel. Hun specialiteit was het maken van landschapsvoorstellingen, verdures, waarbij vooral het spel van zonlicht in het groen de hoofdrol speelde.

De Vlaamse nieuwkomers waren welkom in Gouda en hadden het geluk dat de kloosters door de omwenteling leeg stonden, zodat ze daar hun intrek konden nemen. Daar was voldoende ruimte voor de grote weefgetouwen. Joris de Pottere is de oudst bekende wever* die zich in Gouda vestigde. Hij kreeg in 1584 opdracht van de stad om voor veertien gulden vier kussens maken.

In 1634 telde Gouda zo’n 40 meesters die gemiddeld ieder vijf knechten in dienst hadden. Oudenaarders gebruikten vaak een brilletje, omdat het werk zo fijn was. Het arbeidsintensieve werk werd gedaan in een gesloten gemeenschap; de meeste wevers waren familie van elkaar en generaties volgden elkaar op. Concurrentie was er wel, maar door alle onderlinge banden mild. Bij grote opdrachten, zoals een klus voor het Zweedse hof, werkten ze samen.

Vrouwen speelden belangrijke rol bij de wevers. Niet alleen waren zij het die sponnen en kussens maakten, maar ze traden ook op als bedrijfsleider. Speciaal weduwen die na het overlijden van hun echtgenoot de zaak voortzetten.

Gespiegeld weven

Het ontwerp werd op een karton getekend en via een spiegel overgenomen, omdat de wevers vanaf de achterkant het garen door de schering weefden. De losse eindjes lieten ze aan die kant hangen.

Namen van de Goudse wevers waren De Lepelaer, Van Hollandt, Schaep en Ruffelaer. Jan Ruffelaer kreeg voor 1600 een aantal opdrachten van het stadsbestuur die ervoor zorgden dat hij zijn hoofd boven water kon houden. Met name de vestigingskosten in Catarijnenconvent braken hem op.

Al in de Gouden Eeuw nam de belangstelling voor de fijne wandtapijten af. Dit had te maken met de toenemende populariteit voor behang. Gouda hield het edele vak krampachtig instand door subsidiëring, waar andere steden als Schoonhoven, Delft en Rotterdam al eerder gratis onderkomen boden.

 

Deze foto van de trouwzaal in het Goudse Stadhuis vindt u op www.toptrouwlocaties.nl. Het wandkleed komt uit het atelier van David Ruffelaer.

 

Bekende wandtapijten

In de trouwzaal van het stadhuis hangen nog wandtapijten van Jans zoon David, die ook werkte voor prins Hendrik en de steden Amsterdam en Den Haag. Van Gouwenaar Tobias Schaep hangen er wandtapijten in het Zweedse kasteel Skokloster.

Garen verven

Het verven van de fijne garens linnen was niet typisch het werk voor de wevers, maar waarschijnlijk deed een aantal van de wevers dit wel zelf. De ververijen waren gespecialiseerd in bepaalde kleuren. Zo kleurde Gideon van Heumen in het voormalige nonnenklooster aan de Gouwe garens hoofdzakelijk blauwe garens, maar ook wel geel en was Jan Blomme in het oude Agnietenconvent gespecialiseerd in zwarte garens. Hoe ze dat deden is niet bekend, maar dat ze de toen gebruikelijke pigmenten gebruikten van houtskool of verbrande beenderen (zwart) en planten als indigo (blauw) en wouw (geel) en bladluis ofwel meekrap (rood) is vrijwel zeker.

 

*In het omvangrijke boekwerk Duizend Jaar Gouda een stadsgeschiedenis, waar ik voor deze serie over de Gouden Eeuw dankbaar gebruik van maak, worden de wevers tapissiers genoemd. Dit is echter de Franse naam voor stoffeerders. De wevers, zoals die in Gouda werkzaam waren, zijn in het Frans lissiers.

 

Gouwenaar Tobias Schaep wandtapijt voor het kasteel Skokloster tussen Stockholm en Uppsala in Zweden. Het telt 8 draden per centimeter. Het is een reeks van acht Bijbelse voorstellingen gemaakt van 1634-1647.