1606-1672

Bloei en vernietiging Haastrechts steenplaatsen

Afbeelding: de kaart uit 1683 van Leupenius, gemaakt in opdracht van waterschap Krimpenerwaard laat de ligging van twee steenplaatsen zien, of beide steenplaatsen weer in gebruik waren genomen is onbekend. Die bij Stolwij- kersluis (Swanenburg), wordt in 1750 genoemd in relatie tot zijn eigenaar Leonard Reijnierse Swanenburg die de steenplaats IJsselvrucht in Moordrecht kocht.

In 1606 gaf Gouda het ambacht Haastrecht toestemming om een steenplaats voor drie jaar te exploiteren. Dat gebeurde onder toezicht van een commissie die was ingesteld om de kwaliteit te controleren, want het ambacht met Haastrecht viel onder Gouda. Waarschijnlijk ging het om een fabriek die een poging moest doen om dakpannen te fabriceren, want daar had de stad de meeste behoefte aan. Hierna zijn geen stukken meer te vinden over steenbakkerijen die langs de IJssel nog dakpannen maakten. Het broze baksel van de IJsselklei was voor bakste- nen geen probleem, maar ongeschikt voor de dunnere dakpannen.

In 1629 zijn er steenplaatsen in de polders Rozendaal (van Jan Aertz), Honart (Steenplaats Ganzeburg van Cornelis Claesz van Erckel), Klein Keulevaart (Laurens Crom) en Beneden Haastrecht, waaronder een die Boezem Vlist werd genoemd (waarschijnlijk ook van Jan Aertsz.). Drie steenplaatsen niet in gebruik, die van weduwe Marritjen van Gerrit Tromperts met twee ovens, een vervallen steenplaats van de weduwe van Leentjen Claesz. en een steenplaats van Cornelis Jacobz. Cincq met twee ovens.

Een verzoekschrift om belastingvermindering door Haastrecht aan de Staten van Holland en West-Friesland maakt melding van twaalf steenbakkers die rond 1670 in Haastrecht actief waren. Uit de volgorde van de namen en met behulp van oude kaarten kan enigszins worden herleid waar welke steenfabrikant was gevestigd langs Haastrechtse IJsseloever.

Rampjaar betekent einde 

Door de Franse inval in 1672 kwam er een eind aan de activiteiten. Alle steenovens werden leegehaald en gesloopt door de troepen van stadhouder Willem III van Oranje, die de stenen gebruikten om er schansen van de maken. Voor de Haastrechtse steenfabrikanten een tegenslag die ze nooit teboven zouden gekomen.

Vijf van deze steenplaatsen waren van weduwen. Alleen steenplaats Ganzenburg in de polder Honaart werd opnieuw in gebruik genomen.

De steenbakkers die hun ovens verloren in het Rampjaar 1672 waren: Stijntje Henbeecks, wed. en kinderen van Mr. Pieter Hensbeeck, Dirck Reijnierts de Swaen, Marritgen Jan Buyrs, Marritgen Vermeulen, Jan Aertsz., Maritgen Aartsdr., Pieter Amoureus, Cornelis Claesz van Erckel, Bartholomeus Coenraaetz en Laurens Crom.

 

Haastrecht speelde een in de 15e eeuw al een belangrijke rol in de baksteenindustrie. In 1494 waren daar maar liefst zes steenplaatsen langs de rivier. De uiterwaarden van de Hollandsche IJssel zaten toen nog vol roodbakkende klei waar grote stenen en dakpannen van konden worden gebakken: rivierklei van voor de afsluiting van de riviertak met de IJsseldam bij Klaphek in de 13e eeuw.

Het bezinksel dat daarna de Haastrechtse uiterwaarden bereikte had een veel fijnere samenstelling omdat dit sediment een langere weg via de Lek, Nieuwe Waterweg en benedenloop moest afleggen. Daardoor kreeg de klei andere hygroscopische eigenschappen en hield het vocht vast, waardoor er alleen kleine stenen van konden worden gebakken.

De verstening van Gouda was noodzakelijk uit angst voor stadsbranden. Aan de Oude Rijn bij Woerden, werd nog wel klei gewonnen die geschikt was voor grotere stenen, dakpannen en rioolbuizen, maar dat lag in de Utrechtse Sticht, buiten de invloedsfeer van Gouda.

In 1543 en 1553 zijn er negen steenplaatsen actief volgens het register van de Tiende Penning, in 1557 nog acht.