1617-1672

Goudse pijpen maken begint in de Gouden Eeuw

De Goudse pijpen waren in de Gouden Eeuw een begrip, geen product van eigen inwoners, maar van Engelse huurlingen van het Staatse leger die tijdens het Twaalfjarig Bestand wat bijverdienden met pijpen maken.

Indianen leerde de westerse wereld dat tabak in pijpen gerookt kan worden. Nu weten we dat de verslaving die dat zou opleveren, slecht is voor de gezondheid, maar in de Gouden Eeuw telde dat nog niet en werd er sinds de introductie in Leiden door Franse en Engelse studenten rond 1590 lustig op losgepaft.

Engelse soldaten uit het staatse leger die zich de kunst van het pijpenmaken hadden eigengemaakt, wilden iets bijverdienen en gingen de eerste pijpen maken. William Baernelss, die Willem Barendts werd genoemd, was een van hen. Hij woonde in Gouda Achter de Vismarkt, niet ver van de Gouwe. Hij overleed in 1625, nadat hij acht jaar pijpen had gemaakt.

De pijpenmakers bakten de keramieken pijpen niet zelf. Ze vormden ze alleen. Het bakken lieten ze over aan de talrijke pottenbakkers die de opdrachten – door de stagnatie van de verkoop van eigen hun waren – goed konden gebruiken om de kas te spekken. Alle pottenbakkers werkten aan het eind van de Gouden Eeuw in opdracht van de pijpenmakers, de meesten uitsluitend.

De eerste pijpenmakers importeerden de witbakkende klei uit Engeland, later gingen ze over op Keulse, Maastrichtse (uit de Ardennen) en Rozendaalse (uit Doornik) klei, die sterker was.

 

Jong geleerd

Kinderen werden al jong in de leer gedaan bij een Engelse meesterpijpenmaker om het vak onder de knie te krijgen. Er is een voorbeeld van een elfjarige knul die een werkovereenkomst kreeg voor vier jaar, waarbij hij om vijf uur ’s ochtens moest beginnen en tot ’s avonds laat werkte. Zondag was een vrije dag. ’s Winters mocht hij een uur later beginnen.

Rond 1641 waren er meer Goudse dan Engelse pijpenmakers, die hun vak nog steeds tijdens hun soldatendienstverband uitoefenden. Toen Goudse pijpenmakers die het kunstje hadden geleerd een gilde wilde maken die de Engelsen uitsloot, kregen ze van de vroedschap nul op rekest. Dit kwam door de protesten van de meewerkende echtgenotes van de Engelsen.

Een kleine twintig jaar later kwam toch dat pijpengilde, waar iemand alleen lid van kon worden na een proeve van bekwaamheid. Wie probeerde pijpen te maken als niet-lid van het gilde, werd gesommeerd de stad te verlaten. Het aantal gildeleden nam snel toe en telde 80 leden in 1665.

Na het Rampjaar 1672 dat het eind van de Gouden Eeuw betekende, kwam er de klad in. Ontslagen knechten begonnen noodgedwongen voor zichzelf, waardoor het aantal gildeleden verdubbelde in 1679 en groeide tot zelfs 230 leden zes jaar later. Een eigen Goudse pijpenmarkt kwam op de Nieuwmarkt, toen de Amsterdamse pijpenmarkt, waar de handel aan de man werd gebracht, zijn markttarieven verhoogde.

Vrouw stapelt ongebakken pijpen in bakpotten op de manier zoals dat honderden jaren werd gedaan. De foto dateert van ca 1905.

Fabricage

De fabricage bestond uit een aantal stadia:  rollen, vormen, polijsten, glazuren, drogen en in bakpotten plaatsen die naar de pottenbakkers werden gebracht. Voor het rollen en vormen was kracht nodig en dat was mannenwerk. De rest werd door vrouwen en kinderen gedaan.