Tweede kerstdag komt uit Gouden Eeuw

Het leven in Gouden Eeuw is minder ver van ons dan we denken. Een kerstboom binnenzetten en versieren, was toen ook al gebruikelijke bijvoorbeeld. Maarten Luther schreef in het begin van de zestiende eeuw dat de boom symbool stond voor de geboorte van Jezus. Het herinnert gelovigen aan de bomen van het paradijs, aldus Luther. De kerstballen zijn, volgens de principiële monnik, die voor een flinke scheuring in de kerk zorgde, de appels die Adam en Eva aten en de piek verwijst naar de ster van Bethlehem die de drie Wijzen uit het Oosten de weg naar de stal wees waar Jezus het levenslicht moet hebben gezien. Het ontbrak monnik Maarten niet aan fantasie, maar hij benoemde daarmee wel een traditie die in de Nederlandse kerken werd overgenomen.

Het kerstfeest komt niet in de Bijbel voor. Waarschijnlijk is het gedoe met bomen en kaarsen een verchristelijking van het heidens feest van de winterzonnewende, dat in deze periode werd gevierd: het lengen der dagen, de terugkeer van de zonnegod, wat gepaard ging met veel vreugdevuren.

De meeste Hollanders vierden de Kerst in de Gouden Eeuw thuis met wat snoepgoed en extra kerkbezoeken als hun werk dat tenminste toeliet, want vrije dagen kregen ze er niet voor. Het eetgelag van vandaag de dag, stamt van later datum, toen de Kerstdagen wel vrije dagen werden. De Kerststal kwam ook pas later in zwang.

De Dordtse Synode van 1574 maande de kerken af te zien van versieringen met ‘een vuile webbe van heidens bijgeloof’. Het gevolg was dat de protestanten de Kerst gezellig gingen vieren in de rijkversierde katholieke kerken, of onchristelijk vertier op straat zochten en dat was natuurlijk ook niet de bedoeling van de bewakers van de Leer. Daarom werd het verbod vier jaar later herroepen. Gelovigen werden gemaand om met nutteloze en schadelijke activiteiten te stoppen en zich tijdens de Kerst in de kerk met heilige en zinvolle zaken bezig te houden.

De Dordse Synode van 1618/1619 ging nog verder en verklaarde dat ook de dag na Kerst gewijd moest worden aan Christus en zo ontstond de Tweede Kerstdag. Een protestantse uitvinding dus, die in katholieke landen als Frankrijk en België nooit werd opgepikt.

Voorman van de Naderende Reformatie, Voetius, vond de Kerstviering maar niets, maar predikte op die dag wel omwille van de lieve vrede. Zijn leerling Koelman ging er met gestrekt been in en hamerde er op dat Kerst een menselijke uitvinding was, waarover nergens iets in het Nieuwe Testament terug te vinden is. Hij vond het onderhouden van feestdagen ‘joods, heidens en rooms’.

Maar daar hadden de gelovigen geen boodschap aan en de ‘zoogenaamde feestdagen’ hielden stand. De voorstanders van de kerstfeestviering binnen de afgescheiden kerken kregen de overhand. Zij waren van mening dat het onderhouden van de kerstdagen, die door de 17e-eeuwse Dordtse Synode waren voorgeschreven, een goede traditie was. De oorspronkelijke bepaling over het onderhouden van de ”Christ-dagh” uit de Dordtse Kerkorde werd hersteld en aanvaard en zo vieren de protestanten de heidense Kerstdagen tot op de dag van vandaag.

De Amerikanen hebben er met hun Coca Cola Santa Klaus, geïnpireerd op ’onze’ Sinterklaas, er de laatste eeuw wel een kermisattractie van gemaakt. De kerstbomen, of daarop geïnspireerde conische voorwerpen vol lampjes, waarvan allerhoogste in IJsselstein jaarlijks wordt ontstoken en bezongen door bekende Nederlandse artiesten als Lee Towers, staan nog overal buiten en binnen. De heidense traditie heeft alle aanvallen ruimschoots doorstaan.